Charles Van Lerberghe – Het lied van Eva / La Chanson d’ Ève

Poëzie als een herwonnen paradijs

door Johan Reijmerink

De Franse componist Gabriel Fauré (1845-1924) ontdekte in 1906 de gedichtencyclus La Chanson d’ Ève (1904), geschreven door de Belgische symbolist Charles Van Lerberghe (1861-1907). In 1910 zette hij daarvan een aantal gedichten op muziek. Zowel in de begeleiding als in de melodische lijnen van de liederen overheerst de soberheid. Hij probeerde daarmee een muzikale tegenhanger voor zijn cyclus La bonne Chanson (1892/94), op tekst van Paul Verlaine (1844-1896), te creëren. De legendarische Franse lyrische bariton Gérard Souzay (1918-2004) heeft in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw meerdere opnames van deze liederencyclus gemaakt. Met zijn subtiele tekstbehandeling komt de poëzie van Van Lerberghe optimaal tot zijn recht. Voor Souzay was de eenvoud in zijn optreden en uitvoering het resultaat van het eerbiedigen van oprechtheid in leven en kunst.

Nachtergaele wijst in zijn voorbeschouwing van de gedichtencyclus, door de dichter Stefaan van de Bremt vertaald, en tweetalig uitgebracht, op enkele onderscheidende aspecten. Naast de vele mysterieuze symbolistische vrouwenportretten van Khnopff, Rossetti en Burne-Jones uit de tweede helft van de 19e eeuw, vinden ook de gedichtencyclus Chansons de Bilitis (1894) van Pierre Louys en Peléas et Mélisande (1893) van Maurice Maeterlinck weerklank in deze cyclus. Zowel de genoemde schilders als dichters verraden een vergelijkbare obsessie voor de vrouw. Aan de sobere gedichtencyclus Chanson d’ Ève ligt een autobiografisch kenmerk ten grondslag. Van Lerberghe was ‘permanent verliefd op prille schoonheden’. Hij bekende in een brief tegenover een vriend ‘de vrouwelijke ziel van een zeer vrouwelijke dichter’ in beeld te willen brengen. Zonder in etherische wezens en vage spiritualiteit te vervallen, wist hij een optimistisch visioen van het leven te schilderen waarin voornamelijk de natuur inspiratiebron was. Hij wenste poëzie te schrijven die men zonder moeite leest. Daarin koos hij voor het vrije vers om zich emotioneel zo vrij mogelijk te voelen.

De cyclus bestaat na het voorspel uit vier cycli: ‘Eerste woorden’, ‘Bekoring’, ‘Zondeval’ en ‘Avondschemering’. Ik bespreek slechts enkele gedichten om een eerste indruk van deze uitgebreide cyclus te geven. Daartoe richt ik mij op de keuze die Fauré voor zijn muzikale cyclus heeft gemaakt. Dat betreft elf gedichten, verspreid over drie afdelingen. De gedichten zijn titelloos. De vrije verzen van Eva’s lied zijn zijn door de vertaler zoveel mogelijk in jamben met wisselende rijmschema’s uitgevoerd. De alexandrijnen van de Sirenen krijgen twaalflettergrepige verzen, zoals in het Franse origineel.

In de eerste afdeling opent Van Lerberghe met een lang gedicht: ‘C’est le premier matin du monde’. Alles is nog verward en verweven. ‘Met zachte ogen, door het licht gewekt, en naakt, / Zo is de jonge, goddelijke Eva, loom / Uit God ontwaakt, / En aan haar voeten ligt de wereld als een schone droom.’ Ze wordt door God met een opdracht de wereld ingestuurd: ‘Leg voor ieder levend wezen / Dat ik schiep, op jouw lippen een woord,’. Eva gaat gedwee rond in haar rozengaard. Ze geeft alles een naam: ‘Alles wat adem heeft, wat vliegt…’. De schemer treedt in. Eden slaapt. De stem zwijgt, ‘alles luistert nog en wacht of er / Ergens iets klinkt, / Totdat, […], / Eva zingt.’ Het lijkt een zoemen, een gebed, extatisch, ‘in mineur / in deze stilte en in een geur / Van sluimerende bloemen.’ Deze zintuiglijke gewaarwordingen roepen ‘Haar eerste woorden / In haar eerste lied’ op.
Het gedicht ‘Roses ardentes’, bestaat uit drie natuurbeelden: de fonkelende rozen als bloemen van de hemel, de blonde golven van de diepe zee en de opperste kracht van de stralende zon, raken ‘mijn ziel uit de nacht / Tot bij haar god!’
In ‘Comme elle chante’ zingt Eva in haar stem haar ziel los die ‘ontspringt / Aan bron en bos!’ Van Lerberghe deelt een reeks van metaforen met ons om Eva’s diepe geluk uit te zingen over wat zij aan de natuur gewaarwordt. De beweeglijkheid van haar stem doet het licht en het geluid wakker schudden, opdat hun ziel ‘niet meer in wil slapen!’
In ‘O beau rosier du Paradis’ wordt de roos als symbool van de liefde op speelse wijze gepersonifieerd door de dichter. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat verpoost zij zich in het licht, in ‘rozenhoogmoed’. Ze eist verleidelijk de aandacht voor zichzelf op. ‘Ze draait en wentelt en zo bloost // Tot het plechtstatig avondrood.’ De open- en dichtgaande roos toont aan haar de schoonheid van het haar omringende leven.
Van Lerberghe laat in het vers ‘Comme Dieu rayonne aujourd’hui’ God opgaan in de door hem geschapen natuur. Schepper en schepping gaan in elkaar op en onder. Een metafysisch moment: de werkelijkheid lijkt haar voor even één geheel te zijn. ‘Hoe hij in de vogels zingt… / Totdat zijn adem zelfs de zon / Streelt en de lentegeur doordringt!’
In ‘L’aube blanche dit à mon rêve’ zegt de witte dageraad tot zijn droom: / Word wakker in mijn zonneschijn.’ Eva licht haar ooglid op. Ook haar ziel opent zich als een roos op deze dag: ‘Er is niets dat me niet verrukt of raakt! Als de ziele luistert….’.Ze voelt zich een kind dat nu ontwaakt ‘Tot God […][haar] opnieuw in laat slapen.’
In ‘Que tu es simple et claire’ wordt de zuivere goddelijk fontein die water heet, toegezongen vanwege haar vloeibare helderheid. Ze vloeit zich ‘langs glooiingen vol mos’, terug naar ‘de oceaan van het ontstaan’. De je buigt zich over naar de bron: ‘En doop in jou mijn vingers en mijn haren / Die jij uiteenhaalt en meetrekt’. Het water stopt zich in de haren weg en ‘lijkt vervlogen’. Dat leidt tot de conclusie: ‘Ik vind alleen mezelf / Als ik je zoek, jou, Nimf met blauwe ogen.’ Hoezeer de natuur ook de ik inspireert, uiteindelijk dient diezelfde natuur ervoor het narcistisch ego van Eva te behagen.
Het gedicht ‘Dans un parfum de roses blanches’ ademt een sfeer van stilte en sereniteit ademt uit.

In een geur van witte rozen
Zit zij neer en droomt;
Schaduw lijkt een spiegel om een engel te liefkozen.Avond valt, het bosje slaapt;
Tussen bladerloof en takkenhout
Op het blauwe paradijs een paradijs van goud.

Op de oever sterft een verre golfslag uit.
En de stem die zong, zopas nog, mompelt.
Een gemompel stoot zijn laatste adem uit.

In de stilte vallen bloemblaadjes…

Rondom Eva bevindt zich van een geur van witte rozen. Ze droomt. Het beeld van een schaduw schiet voorbij. De vertekening van de werkelijkheid in de avondlijke schemer spiegelt haar een ‘blauw paradijs een paradijs van goud’ voor. Een zingende stem sterft weg, ‘stoot zijn laatste adem uit’. ‘In de stilte vallen bloemblaadjes…’
In de tweede afdeling, ‘De bekoring’, staat het gedicht ‘Veilles-tu, ma senteur de soleil’/‘Waak jij, die ruikt naar zomerzon’. Deze dichter bedient zich onoverkomelijk veel van synesthesieën. Geuren, kleuren en stemmingen bepalen de atmosfeer in zijn verzen: ‘Meld jij me aan, reuk en sap / Van mijn seringen en mijn rozen? // Ben ik een tros vol vruchten, / Verborgen in gebladerte’. De ik vraagt zich af of de ander opmerkt hoe zij zich gereed maakt om hem te ontvangen: ‘Voelt hij hoe ik mijn armen spreid’ en hoe ‘[…] Mijn stem die hem nu niet bereikt, / Geurend gaat dwalen?’ Eva is zozeer in de ban van haar droomgestalten dat ze zich vereenzelvigt met geuren die de bloemen uitstralen.
In de derde afdeling, ‘De zondeval’, heeft Eva ‘De mooie vrucht die me verrukt’ geproefd. In haar dromen breidt zich ‘Een nieuwe wereld, een van schoonheid’ uit. Menselijke zinsbegoocheling maakt zich van haar meester: ‘Nu zie ik voor het eerst, begrijp / En word als God!’ De zondeval.
In de vierde en laatste afdeling ‘Avondschemering / Crépuscule’ staat het eerste gedicht ‘Ce soir, à travers le bonheur’. In de stilte, gekaapt door de schaduw die speelt met het maanlicht, slaapt de waarheid. Men werpt een roos, slaakt een kreet en slaat op de vlucht ‘Voor [de] stilte die waakt.’ Stel je voor dat de waarheid ontwaakt ‘En wij het niet overleven.’
‘Ô mort, poussière d’étoiles / O dood, sterrengruis’. In deze zachte golf die glinstert, wil de ik zich neervlijen: ‘Wil ik uitdoven en oplossen, / Dood, waar mijn ziel naar hunkert!’ Er spreekt het verlangen van het sterrengruis uit dat de sterke God haar breekt ‘als een bloem van schuim, / Een bloem van zon op de schuimtop / Van de wateren, […] Door de ruimte verwijd.’ En stort dan: ‘Mijn ziel uit / In je diepte, opdat ze geuren doet / De donkere aarde en de adem van de doden.’
Eva wordt uiteindelijk weer een ziel in het donker. ‘In vage akkoorden, samenklank / Van vleugelen en gezang / van sterren, […] zo eindigt Eva’s lied.’ Voor de duur van het lied bevindt de sterk op zichzelf gerichte Eva zich in haar gedroomde paradijs van geuren, kleuren, klanken, woorden en beelden: poëzie als een herwonnen paradijs. Stefaan van de Bremt heeft met deze vertaling opnieuw een meesterproef afgelegd, waarbij hij het subtiel en atmosferisch taalgebruik en de beeldenrijkdom van de cyclus raak heeft weten te treffen.
____

Charles Van Lerberghe (2019). Het lied van Eva / La Chanson d’ Ève. Vertaald door Stefaan van den Bremt. Met een woord vooraf door em. prof. dr. Vic. Nachtergaele. Uitgeverij P, 137 blz. € 22,50. ISBN 9789492339805

Geplaatst in Recensies.