“mijn poëzie gaat vaak over het tekort”

Meity Völke, winnaar van de tiende Turing Gedichtenwedstrijd, is moeder van twee kinderen. Zij studeert aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Meer dan twee uur treinen vanuit Roermond, voelt het als thuiskomen om tussen medeschrijvers te studeren. ‘Ik denk dat je eerst moet toegeven dat schrijven voor jou onontkoombaar is. Pas dan kun je je hier aanmelden.’
Marten Janse sprak met haar over technieken en drijfveren en stelde de moeilijkste vraag: waarom schrijf je?

Gefeliciteerd met je prijs! Heeft het je leven op z’n kop gezet?
Valt wel mee eigenlijk. Hectiek was er alleen de eerste twee dagen: de krant, de lokale nieuwszender, een paar voordrachten waarvoor ik uitgenodigd werd. Verder wat telefoontjes met de vraag of het winnende gedicht geplaatst mocht worden en heel veel felicitaties. Daarna was er weer rust.

Maar ik begrijp dat het geen toevalstreffer is dat je wint?
Dit is de vierde keer dat ik meedeed. Ik heb een keer de eerste ronde gehaald en een keer de tweede. Vorig jaar zat ik in de zaal en dit jaar heb ik ‘m gewonnen. Ook het tweede gedicht dat ik had ingestuurd, zat bij de laatste honderd.

En je zit in een bijzonder rijtje met Dorien de Wit, Merel van Slobbe, Laurine Verweijen en Bernadette Storm, allen Turing winnaars (van goud, zilver of brons) die net als jij aan de Schrijversvakschool studeren of studeerden. Is het de school of zijn het de mensen?
Wellicht beide. Er wordt hier goed onderwijs gegeven. Met veel ruimte en respect voor eenieders eigen stijl en de ontwikkeling daarvan. Verder moet je het natuurlijk ook echt willen; (gedichten) schrijven. Er komt veel afzondering en misschien zelfs eenzaamheid bij kijken. Vele uren die je in de buitenwereld door had kunnen brengen maar waarin je toch weer koos voor het papier, simpelweg omdat het geen optie is om het niet te doen. Ik ken de dames uit bovenstaand rijtje niet allemaal persoonlijk maar dat hebben we denk ik wel met elkaar gemeen.

Toen ik 21 was ging ik Nederlands studeren in Nijmegen. Ik schreef al gedichten en wisselde met een handvol medestudenten wel eens eigen werk uit. Verder hield ik mijn gedichten angstvallig bij me, bijna als een soort geheim. Thuis legde ik mijn werk naast dat van de dichters die ik Groot vond (Nijhoff, Leopold, van de Woestijne, Achterberg, Wigman) en dan dacht ik: het is nog niet goed genoeg, er ontbreekt iets, niet precies wetend wat. Nu ben ik bijna 40 en denk dat het levenservaring was. Uiteindelijk hebben de jaren van ‘knutselen bij de schemerlamp’ mij veel gebracht. Het schrijven van goede gedichten begint, denk ik, bij het lezen van goede gedichten. Er is geen grote Nederlandse dichter wiens werk ik niet uitgeplozen heb. Ik hoop dat dat mijn schrijven rijker heeft gemaakt.

Dan toch maar die vraag: waarom duurde het zo lang?
Ik denk dat ik niet eerder durfde. Daarnaast heeft het even geduurd voordat alle facetten van mijn leven zo samenvielen dat ik een deeltijdopleiding in Amsterdam kon gaan volgen naast mijn andere bezigheden. Maar ik wilde altijd al schrijven en koos daarom destijds voor de studie Nederlands. Achteraf was het een naïeve veronderstelling om te denken dat dat schrijven ook daadwerkelijk ging gebeuren. Eenmaal in de collegezaal ging het om de wetenschappelijke benadering van de Nederlandse taal en haar literatuur. Gelukkig bleek Letterkunde een goede ‘tweede liefde.’ Na Nijmegen heb ik even voor de klas gestaan, maar dat was het niet voor mij. Ik bleek het engelengeduld dat vereist is niet in huis te hebben. Via het onderwijs rolde ik de arbeidsbemiddeling in. Dat werk heb ik een jaar of vijf met veel plezier gedaan. De drang om zelf te schrijven, bleef echter en inmiddels wist ik ook al jaren van het bestaan van de Schrijversvakschool af. Uiteindelijk meldde ik mij in 2017 aan voor de volledige opleiding.

 

Zaaien

‘Een zwaluw! Zwaluw!’ roep je. Niemand kijkt.
Toch weet je bijna zeker dat het klopt:

de som van hooi op vork, op vork, is nagenoeg
gelijk aan het aantal druppels dat doet overlopen,
maar niet vandaag. Het licht laait op

en ergens neemt een teef haar jongen in de bek,
houdt een kleuter wormen onder glas,
laat een teek zich vallen van een warme hals

dus jij knoopt folie in de kersenboom.
– de spreeuwen zullen dit jaar niet, niet hier.
Oogsten voor wie edel met metalen zaait.

‘Een zwaluw! Zwaluw!’ En je wijst. Plant je voeten
in compost. Stopt een handvol aluminium in je mond.

En heeft het jou gebracht wat je hoopte?
Ja, niet in de laatste plaats een netwerk, want het opbouwen daarvan is niet makkelijk als je ver van de randstad woont. En in de eerste plaats misschien wel dat mijn blik veel ruimer is geworden. Ik hou van het klassieke vers en poëzie mag van mij gedragen klinken maar ik heb toch ook echt liefde voor het vrijere, moderne vers gekregen, waar ik die voorheen nog nauwelijks had.

Met een dergelijke open blik naar poëzie leren kijken, heeft ook de manier waarop ik schrijf, beïnvloed. Ik noem mijn gedichten: halfvast, maar ik heb geen idee of het een naam heeft wat ik doe. Ik maak bijvoorbeeld geen gebruik van eind- of vol rijm, daar probeer ik bewust vandaan te blijven, maar ik hou wel van assonantie tussen de regels door, op (ogenschijnlijk) willekeurige plekken in het gedicht. Als je naar mijn poëzie luistert hoor je geen rijm, door het herhalen van bepaalde klinkers wek ik er echter wel de suggestie van. Ik vind het belangrijk dat mijn gedichten een ritme hebben.

Wat ik overigens wel jammer vind is de huidige tendens in de poëzie dat de manier om om te gaan met de traditie het radicaal breken ermee is. Daarmee doen we de literatuur vóór ons tekort, vind ik. Er is zoveel moois geschreven. Het valt op z’n minst te overwegen om erop voort te borduren in plaats van het te verwerpen. Woorden als klassiek en traditioneel mogen van mij best een beetje in ere hersteld worden. Wie ben ik, of wie zijn wij om over het werk van bijvoorbeeld Martinus Nijhoff te zeggen: zo moet het dus niet meer.

Jij bent een bekroond dichter die dit jaar afstudeert aan de Schrijversvakschool… Zeg jij het maar!
Voor mij is poëzie schrijven een vak en kent het, net als ieder ander vak, technieken. Die kun je in je eigen werk implementeren of juist niet maar het helpt om ze uitgeprobeerd te hebben. Bijvoorbeeld binnenrijm, halfrijm, een metrum waarmee je kunt versnellen of juist vertragen, om maar iets te noemen, er is nog zoveel meer. Zelf heb ik sonnetten geprobeerd, maar ook rondelen, kwatrijnen en vrije verzen. Ik heb met iedere vorm wel geoefend. Om dan uiteindelijk tot die halfvaste vorm te komen waarvan ik vind dat het de mijne is. Geen idee of het voor anderen ook werkt, maar zo heb ik het gedaan.

En qua inhoud?
Ik dicht niet primair vanuit de emotie, de ervaring of de waarneming. Dat komt altijd later pas. Voor mij begint het proces van schrijven veelal met een zin die ineens door mijn hoofd gaat. Het begint vanuit de taal en vanuit de taal ontstaan dan de beelden die erbij komen.

Vaak zijn mijn gedichten wel miniatuurtjes met een plot. Ze mogen rond zijn. Er wordt veel geroepen dat alles een ‘rand’ moet hebben. Ofschoon ik dat heel mooi kan vinden, denk ik bij mijn eigen schrijven vaak: die rand zit al overal, in alle facetten van het leven buiten het schrijven. Naars overkomt ons, we raken kwijt, hebben spijt, lopen mis… Misschien schrijf ik daarom wel zo graag consequente poëzie, als een soort loutering of beteugeling. Op mijn papier is er de kans dat de dingen gaan zoals ik ze graag zie, de kans dat dingen de afsluiting krijgen die ze verdienen. Daarbuiten, in het echte leven, is dat nog maar de vraag. Overigens heb ik het hier puur over de vorm, inhoudelijk moet het natuurlijk wel ergens wringen, schuren, mijn poëzie gaat vaak over het tekort.

 

Pion

Wees mijn weegschaal in het ochtendlicht en
declameer dat ik minder zwaar moet tillen aan
excessen. Ben je daar van bijgekomen? Goed.

Dweil mijn vloeren. Ergens in een hoek staan
kranen open en raap de man op die ik vallen liet
maar niet expres; in iedere omhelzing huist een herfst.

Schrijf mij af. Op zolder staat een houten kist vol
zinnen zonder muze, regels zonder tegengif maar laat
de komma’s op hun plek; wie ben ik als ik niet pauzeer.

We doen het vuilnis uitgeleide, stipt om vijf,
en van tevoren gaan we ruim vertrekken. Jij en ik.
Wat geschaakt worden toch is, dat wil ik weten

rond die tijd maar roep je dan: ‘boeketten,’ of ‘jagen
zonder honden’ dan zeg ik ‘prooidier’ en ‘gebonden.’

Waarom schrijf je?
Omdat het geen optie is om het niet te doen. De drang om mij schriftelijk te uiten was er altijd, is er gewoon, de liefde voor mooie zinnen ook, ofschoon ik het lang heb uitgesteld, uit angst denk ik. Ik voel me nogal kwetsbaar wanneer ik een eigen gedicht hardop voorlees. Ik word ook liever gelezen dan gezien. Daar moet ik nog wel iets aan doen. Het winnen van de Turing Gedichtenwedstrijd is een goed duwtje in de rug om door te gaan en goed geweest voor mij die van nature afwachtend is en altijd, altijd twijfelt. Deze prijs staat toch maar mooi op mijn naam.

 

Nu de grond

Er valt met ons niets aan te vangen. Nu niet meer.

Waar: in den beginne was er licht geweest.
Weesgegroetjes. Liefdesbrieven ook, en kaartjes
voor een bioscoop waar wij met luid gespeelde
geeuwen mikten op een meisjesarm die spichtig
uit een bloesje stak. Hoe die dan warm en alles was.

Ook hadden wij moeders. Moeders die ons binnen
riepen, wezen op de gaten in de weg, en zondagmorgen
klokslag negen: hoe wij beten. We kauwden onze
wangen stuk op het lichaam van de Zoon maar
ergens ging het mis, scheen het licht onttroond.

De meisjesarmen eerst. Ze werden lauw en vlezig. Hingen
was op, kneedden brood; er viel niets meer te leunen.
Toen werden een voor een de moedermonden stom
– Adieu soleil en nu de grond. Wij wisselden van huid,
wreekten ons vlees op ander vlees. En dat was dat.

De tempel viel en veerde als een hoerenhuis des Heren.

Geplaatst in Interviews.