De favorieten van Marten Janse

(werk van Koen Hauser)

 

In de serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Marten Janse.

Eenzame G, ik heb je toch weer bezocht, we hebben
in de ramen gekeken, samen naar het grijze einde van
de dag. Het uitzicht golfde een beetje, alsof we
door tranen keken, maar het kwam van het oude glas.

We waren alleen, uit de vleugel dachten we zachte
Chopin, je had de tafel gedekt, zilver, fluiten,
namaak-damast, het licht van de melkwitte dijen en
borsten op je schilderijen doofde langzaam, we waren

alleen, beiden, dus waarom niet. Dit was toch ons huis
van de weemoed, door de oude muren waren de geluiden,
het koude schreeuwen van pauwen, het klagen van koeien,
waren zij bijna weer aangenaam, de angst, pijn, woede,

riepen zij weer bijna verlangen op, naar vroeger, zo
was het toch G, dus waarom niet, waarom.

Rutger Kopland, uit: Al die mooie beloften (Van Oorschot, 1978)

 

 

Ik graaf mijn broertje op. Zijn bekken
eleganter dan een lelie en beenderbleek
de vingers, poten van grondig bint.

Mijn donkere koten die in de aarde
rondwaren, woelend
tot een weldoorvoede regenworm
de kieren van een kleine teen doorsnijdt.

Mijn broertje hoest kluiten op,
zinkt terug wel ik kan er tegenop
graven, de steen vreest mij
omdat ik hem stuk zal slaan.

Ellen Deckwitz, uit: De steen vreest mij (Nijgh & Van Ditmar, 2012)

 

 

 

De moeder

Hij sprak en zeide
In ‘t zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weêr…
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking…
Doch, bijna blijde,
Beval den maegden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaatsch, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zóon keert weer…
Zag zij hem aan en
Vond geen tranen,
Voor zooveel vréugde geen tranen meer.

Geerten Gossaert, uit: Experimenten (1911)
Geplaatst in Gedichten.