Een dichter als economische motor

Het uitgeven van gedichten is niet lucratief. Kun je er van leven? Ik geloof het niet echt. Uitgevers aarzelen,  bundels blijven liggen. Men zegt dat de werken van Allard Pierson nog onverkocht op zolders liggen.
Kan een heilige of een dichter wel de economische motor van de plaatselijke middenstand en het toerisme worden? Ja, dat kan in Italië waar ik al meer dan 30 jaar woon. Als in Assisi nooit ene Francesco di Bernardone had geleefd, was het stadje waarschijnlijk een dood ‘paese’ geweest waarvan er zoveel zijn. Als Sint Franciscus niet had geleefd zou hij moeten worden uitgevonden.

Kan ook een dichter die economische kracht zijn die het leven van de middenstand in een stadje bepaalt? Franciscus was niet alleen een heilige, maar ook een dichter: hij schreef een van de eerste gedichten in het Italiaans , kort voor zijn staaroperatie en zijn dood: het ‘Cantico delle creature’, ‘Het lied van alles wat geschapen’ is, bij ons bekend als ‘Het Zonnelied’. Ook het dichterlijke van de heilige heeft zijn uitstraling: de naam van gedicht en hoofdpersonen komen veelzijdig terug. De’strada del Cantico’, is een wijnroute, hotels en restaurants noemen zich ‘Fratre Sole (Broer Zon) of Sorella Luna (zuster maan). Verbeeldingen ervan komen voor op de keramiek, teksten zijn gedrukt op nepperkament en andere vaak lelijke souvenirs, waarbij Franciscus soms zelfs scheel kijkt. Misschien dat daarom Goethe tijdens zijn bezoek aan Assisi in oktober 1786 (beschreven in zijn ‘ Italienische Reise’) met geen woord rept over alles wat er aan oprecht moois ontstaan is rondom de heilige als de fresco’s van Giotto en Pinturicchio. Hij vindt alleen de Minervatempel mooi: ‘…dann schaute Ich links auf den tristen Dom des heiligen Franziskus…’en hij vervolgt zijn klassicistische weg onder andere naar Napels.

Bij toeval vond ik daar het graf van de grootste dichter van Italië na Dante: Giacomo Leopardi (1798 – 1837). Ik kwam uit metrostation Mergellina in een klein parkje en vond Vergilius’ graf, waarnaast Leopardi begraven ligt. Later las ik in het prachtige intellectuele boek van Joachim Fest: ‘Im Gegenlicht’ (verslag van de laatste intellectuele Grand Tour van Zuid naar Noord) dat hij via zeer intellectuele gesprekken met een zeer intellectuele taxichauffeur bij het graf arriveerde. Over Leopardi rept Fest niet. Later zag ik dat we het anders hadden kunnen doen: Vergilius’ graf stond gewoon op het kaartje van de VVV.
Ik vertelde in mijn woonplaats B. aan wijlen mijn vriend Lucio, intellectueel barista, amateur historicus, dat ik het graf van éne Leopardi had gezien (O schande, ik kende hem niet) waarop Lucio de espressomachine stop zette en uit zijn hoofd prachtig ‘l’Ínfinito’ van Leopardi declameerde, dat in feite gaat over het reizen in de geest: je uitzicht vanaf een dierbare heuvel kan afgesloten zijn door een heg maar je geest kan onbeperkt reizen: romantiek in optima forma, klassicistisch qua vorm en ondergrond. Lucio vertelde dat elke Italiaan dit gedicht van buiten kende.

Ik begon me te interesseren voor Leopardi met zijn bochel en zijn gezwel, die in zijn jeugd ziekelijk was, in zijn bibliotheek zat op een aangepast stoeltje en via een boek met vergelijkingen van bijbelvertalingen zichzelf Grieks en Latijnen andere talen leerde. Opvallende overeenkomst met het leven van Bilderdijk, zij het dat onze viriele polyglot een womaniser was en Leopardi nooit een vrouw beminde en stierf in de armen van een vriend, wat mij weer aan Keats deed denken.
Ik reisde naar Recanati, het dorp waar Leopardi min of meer opgesloten leefde in het ‘palazzo’ van zijn intellectuele vader en de bibliotheek leeg las. En ik concludeerde dat als Leopardi niet had geleefd hij had moeten worden uitgevonden.
Vanaf de met een groot bord aangegeven ‘Colle del Infinito’ via zijn standbeeld tot aan het huis, waar zijn familie nog woont en olijfolie verkoopt met het portret van de dichter op de fles, -naast de verkoopruimte is alleen de bibliotheek toegankelijk- alles is Leopardi wat de klok slaat. In de bar, op bijna elk raam en aan muren in de hoofdstraat hangen facsimiles van zijn gedichten, waarlangs bijna eerbiedig werd gepelgrimeerd, behalve door schoolklassen die met juf voorop en meester als sluitstuk onverschillig met oortjes in en kijkend op hun cellulare sjokten langs de eindeloze reeks poëzie. Ik heb wel al wandelend meer gedichten van Leopardi gelezen dan ooit tevoren, een heerlijke fles olijfolie gekocht en in de boekwinkel gekeken, denkend of zoiets mogelijk zou zijn bij ons. Wel is er een Couperusroute, er zijn nu ook Marten Toonderreizen naar Ierland. Maar een Staring-evenement in Vorden, Lochem, Zutphen, de Achterhoek, eindigend met een gekostumeerde opvoering van ‘De Hoofdige Boer’ met een Staringmaaltijd in het gelijknamige restaurant bij ‘Almens kerkje’ en onderweg het opzeggen van twee Jaromirverhalen lijkt me onmogelijk. In San Gimignano zei een soort bard de hele Divina Commedia van Dante uit zijn hoofd op onder het beeld van Niek Jonk. Dat is andere koek. De ziekelijke, teruggetrokken, zichzelf tot wetenschapper gevormd hebbende dichter met zijn onooglijk uiterlijk werd de economische motor van een stadje, dat waarschijnlijk, net als Assisi zonder San Francesco, nu niets meer zou voorstellen.

(c) Hans Franse

Geplaatst in column.