Victor Vroomkoning – Tachtig. Zijn mooiste gedichten

Beschouwelijke poëzie van een brave ijsbeer

door Eric van Loo



“Zijn poëzie is authentiek, spontaan, fris, leuk en warmhartig. De gedichten zijn meteen verstaanbaar, gaan over onbelangrijke huiselijke dingen als leven en dood, en ze zijn zo goed opgeschreven dat ze ook bij een tweede, derde, vierde lezing overeind blijven.” Aldus Herman de Coninck over de poëzie van Victor Vroomkoning op de achterflap van diens in maart verschenen overzichtsbundel Tachtig. Zijn mooiste gedichten. De typering dat de poëzie van Vroomkoning handelt over onbelangrijke huiselijke dingen is bijzonder raak, zeker waar in het vervolg van deze zin subtiel leven en dood als neventhema’s worden opgevoerd. Maar na een flink aantal bladzijden in deze bundel bekroop mij toch het gevoel, dat de dichter wel erg dicht bij huis blijft.

Tachtig is samengesteld ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Walter van de Laar (de man achter het pseudoniem Victor Vroomkoning) en 35 jaar dichterschap. Het accent ligt op zijn bekendste gedichten. Herhaaldelijk in bloemlezingen of elders aangehaalde gedichten passeren chronologisch, aldus de verwantwoording. De laatste pagina’s bevatten wel een bibliografie, maar verder wordt niet aangegeven in welke bundels de gedichten terug te vinden zijn. Ook wordt verwezen naar Intiem bestaan: over de poëzie van Victor Vroomkoning van Riny Jans, dat dit voorjaar samen met Tachtig verscheen.

De bundel opent bedaard, met een portret van twee oude mensen in een auto: ‘Zijn slapen sneeuwen in. / Naast hem in hun wagen / geeft zij hem niet veel / meer dan een jaar / voordat het boordwit / doorloopt in de berm / van zijn haar.’ Tekenend voor de gedichten uit het eerste kwart van de bundel. Subtiele raadselachtigheid (insneeuwende slapen?), kleine associaties (de berm van zijn haar) en de pentekening is af. Veel jeugdherinneringen, gedachten aan zijn eigen jeugd, aan zijn ouders toen zij nog jong waren, en aan hun laatste jaren. Het is poëzie die vaak geschreven lijkt vanuit een gedachte, zoals een schilder een landschap of stilleven weergeeft. De dichter lijkt iets zo mooi mogelijk te willen zeggen, de taal gaat geen eigen leven leiden. Een uitzondering vormt onderstaand gedicht, dat de lezer door de titel bewust op het verkeerde been zet, en na de laatste regel om onmiddellijke herlezing vraagt – nu vanuit een ander perspectief.

Vuilniszakken

Zoals ze daar ‘s morgens
op de stoep tegen elkaar aan
geleund warmte zoekend
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs
vormeloos, vol afgedankt
leven, tegelijk broos en
weerloos. Je zou ze weer
naar binnen willen halen
je ouders wachtend op de bus.

Rond de zestigste pagina komt er opeens meer leven in de brouwerij. Expliciete erotiek, venijnige uithalen: ‘Ik ben die teef, geschoren, afgericht, moet / braaf zijn, pootjes geven, kloten likken. / Eens bijt ik me vast in wat hem drijft.’ Is hier dezelfde dichter aan het woord? Ja en nee. In 1997 ontstond reuring in ons kleine letterenland toen Lippendienst verscheen, een seksueel getinte dichtbundel van de onbekende Stella Napels. ‘De ontknoping volgde na enige tijd: achter Stella Napels ging Vroomkoning schuil’, aldus de begeleidende tekst bij de eerder aangehaalde monografie van Riny Jans. Merkwaardig, ik zou eerder zeggen dat Walter van de Laar achter Stella Napels en ‘haar’ bundel Lippendienst schuilging.

Dit erotische uitstapje lijkt de dichter goedgedaan te hebben. Na de gedichten uit Lippendienst – p.61 t/m p.66 – lijkt de dichter de blik af en toe iets meer naar buiten te richten. Een ode aan een schilderij van Vermeer, aan het landgoed ‘Stapelen’ in Boxtel, de geboorteplaats van de dichter, of een wielrenode aan Groesbeek. Toch blijft ook het thema van de ouders, van de zwijgende vader en de verwarde moeder, regelmatig terugkomen. Op p.32 en p.33 nam de ‘ik’ afscheid van een dode, opgebaarde vader, maar op p.70 en p.71 wordt deze vader weer levend ten tonele gevoerd, met lichamelijke ongemakken en verdriet om de afwezige moeder. Misschien is het woord IJsbeerbestaan (bundel uit 1999) in sterke mate van toepassing op de dichter en zijn werk, het rondjes lopen in de eigen huiskamer terwijl het buiten wintert:

Tuin

Tuin weer slagroomtaart,
hier en daar een wakkere
krokus, kaarsje wegens
het verjaren. Te mooi
om aan te snijden met
maat vierenveertig.
Toch moet de vis gelucht
onder het borstplaat
van de vijver.

Weer terug achter het
warme kijkglas tel ik
de achten die ik achter
liet. Alleen bij sneeuw
de kraakheldere afdruk
van mijn ijsbeerbestaan.

De dichter beschrijft hier de achten die zijn voetsporen in de sneeuw hebben gemaakt, maar gezien de toon en inhoud van de rest van de bundel ligt de associatie met uitgesleten kringen op het vloerkleed binnen evenzeer voor de hand. De liggende acht is in de wiskunde het teken van oneindigheid. De achtergelaten ‘achten’ benadrukken het ijsberen, het doelloze rondlopen van de ‘ik’. Tekenend in dit verband is, dat ook op de voorkant van Tachtig de acht in liggende positie is weergegeven.

Op p.77 staat een sober ‘In memoriam Herman de Coninck’. We zijn dan nog niet halverwege de bundel, en ook in jaren nog niet halverwege de eerder genoemde 35 jaar dichterschap. Dat stelt de aanprijzing van De Coninck op de achterzijde van de bundel in een merkwaardig daglicht. Is er in de twintig jaar na het overlijden van De Coninck niets wezenlijk veranderd in het dichterschap van Vroomkoning? En waren er anno 2019 geen prominenten te vinden die iets moois over zijn oeuvre konden zeggen?

Vanaf p.100 duiken twee nieuwe thema’s op: ouderdom en erotiek. Het eerste waarschijnlijk vanuit de eigen ervaring van het ouder worden, het tweede na het uitstapje als Stella Napels nu steeds explicieter in het eigen werk. Ook de combinatie van deze twee thema’s wordt niet geschuwd, zoals in ‘Treinreis’, waarin de dichter zijn gedachten over een jongere medepassagier zijn vrije loop laat gaan: ‘Haar benen zijn nog wit als haar gebit / ik zit erbij en kijk ernaar, lief en zacht / stel ik mijn blik, in mijn versleten slip / ontvouwt zich mijn bejaard geslacht.’ Eén van de weinige gedichten in de bundel waarin eindrijm aanwezig is. Vroomkoning schrijft veelal vrije verzen met regelmatige regellengte. De strofe-indeling 4-4-3-3 komt veelvuldig voor, maar gaat vrijwel nooit gepaard met andere kenmerken (metrum, rijmschema) van het sonnet.

In de laatste twintig bladzijden vindt opnieuw een omslag plaats. Steeds vaker is het onderwerp van het gedicht niet meer ‘ik’, ‘je’, ‘we’ of een ‘zij’, maar een ‘hij’ die een afspiegeling lijkt te zijn van de dichter: ‘Nu dooft hij langzaam uit, soms is er nog / een glimp van helderheid waarin de wereld / oplicht’. Alsof de oude Holst het woord neemt: ‘Er was hem ’s nachts iets overkomen / het leek of hij gedwaald had en starnakel / in de kelder was beland waar hem / een diep geheim deelachtig werd.’

Het lezen van de in Tachtig bijeengebrachte ‘mooiste gedichten’ van Victor Vroomkoning is een bescheiden avontuur. We volgen de ontwikkeling van de dichter aan de hand van 120 gedichten, mede door hem zelf geselecteerd op basis van populariteit (bloemlezingen, verwijzingen). De dichter doet zijn zelfgekozen naam daarbij slechts gedeeltelijk eer aan. We lezen niet het verhaal van een krachtige overwinnaar of heerser. Eerder wederwaardigheden van een brave vrome ijsbeer, die keer op keer getuigt van trouw aan zijn verleden en zijn kleine onderkomen.

____

Victor Vroomkoning (2019). Tachtig. Zijn mooiste gedichten. Uitgeverij De Arbeiderspers, 144 blz. € 21,50. ISBN 9789029526418

 

Geplaatst in Recensies.