H.C. ten Berge – De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca

Ontberingen, leegte, poëzie

door Hans Puper

‘Hoe ouder men wordt, hoe belangrijker het is zich te blijven ontwikkelen, en hoe klemmender de noodzaak een neiging tot herkauwen te beteugelen’, schreef H.C. ten Berge in het inleidinkje bij ‘Zeven foto-biografische flitsen’, opgenomen in Een spreeuw voor Harriët (2018). Dat moge betrekking hebben op zijn leven, maar het geldt evenzeer voor zijn werk. Na de luministische bundel Splendor schreef hij ditmaal een lang episch gedicht: De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, ‘Een script in 45 scènes & een tussenspel’. (Cabeza de Vaca is een bijnaam: Koeienkop. Die sloeg niet op zijn uiterlijk of intelligentie, maar was een eretitel. Het voert hier te ver om dat hier uit te leggen – koop de bundel, zou ik zeggen, dan kunt u het nalezen in de ‘Aantekeningen’).

Álvar Núñez was een Spaanse edelman, die leefde van circa 1490 – circa 1558. Hij nam deel een aan een rampzalige expeditie, aanvankelijk onder leiding van de onbekwame en wrede Pánfilo de Nerváez met als doel het land rond de Mexicaanse golf te verkennen en veroveren. Het gedicht is als volgt opgebouwd: er is een verteller die put uit het rapport dat Álvar Núñez schreef voor keizer Karel V en in 1542 is gepubliceerd; een enkele keer citeert hij er delen uit. Daarnaast treedt de verteller twee in de ik-vorm op de voorgrond: in het begin en in een tussenspel. Scène 1, p. 5:

Op de tuibrug naar Tampa,
staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
de baai boven ravottende dolfijnen
in een lange glijvlucht overspant,
de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
.     die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
.     met drie kraken en een brigantijn
.     op deze blinkend witte kust verzeilde.
.     Er werden 40 slanke paarden en 300 man ontscheept
.     om slecht toegerust een blinde tocht
.     van Florida naar het Azteekse Mexico te ondernemen.

Het was 1528 toen het brede, diepe water
Baai van Het Kruis werd gedoopt.

(Mooi: niet vijf eeuwen geleden, maar ‘her’; geen schepen, maar ‘drie kraken en een brigantijn’; niet ‘belandde’, maar ‘verzeilde’, wat volgens het WNT ook betekent: ‘Zeilend uit den koers raken (en daardoor niet meer weten waar men zich bevindt); zeilend verdwalen’. Voeg daarbij de associatie met de uitdrukking ‘ergens in verzeild raken’ – geen goed begin van de reis.)

Het heden vloeit op filmische wijze over naar het begin van de tocht, die zich afspeelt in een nog onbekend en ongerept deel van Amerika, waarin ‘een ontzagwekkende rivier / (…) nog niet de Mississippi heet’ (p. 18) en Núñez ‘Waar nu Austin ligt (…) / de eerste bizons [ziet] grazen / die hij koeien noemt.’ (p. 28).

Het verhaal doet denken aan de mislukte zeereis in 1596 – 1597 naar China en Indië via een nog niet ondernomen noordelijke route, beschreven door Gerrit de Veer, een van de opvarenden. Ook van dat rapport werd een episch gedicht gemaakt, door Tollens in 1820: De overwintering der Hollanders op Nova Zembla. Ook de Odyssee dringt zich op: net als Odysseus keert Álvar Núñez terug in zijn geboorteland, na een groot aantal avonturen te hebben beleefd – beiden doen er tien jaar over. Ook in De beproevingen doen locaties en gebeurtenissen soms onwaarschijnlijk aan, zoals Prikkelperenland, waarin dromen de werkelijkheid zijn: ‘Wordt er iemand / in een droom gedood, zal de gedroomde dader / weten wat hem overdag te wachten staat.’ (p. 26). Het kost een van de expeditieleden het leven.

Het is een tocht vol ontberingen; van de 300 opvarenden komen er uiteindelijk maar vier aan in Mexico – Tenochtitlán, het tegenwoordige Mexico-Stad. Ongelukkigen worden gedood of tot slaaf gemaakt door Indianen, soms jarenlang. Ondraaglijke honger leidt tot kannibalisme. Degenen die het minst in aanzien staan, zijn de dupe: ‘Elke drie dagen wordt een Andalusiër of Arabier geslacht / en opgedeeld onder de zieken en gezonden.’ (p.14). Het zal regelmatig voorkomen, tot afschuw van de Indianen. Núñez ontwikkelt zich als een antropoloog avant la lettre: hij beschrijft de verschillende leefwijzen van de Indiaanse stammen die hij ontmoet, van vijandig tot zeer vredelievend, levend in de steentijd, maar ook in een ontwikkelde samenleving van boerenjagers. Als de reis bijna ten einde is, worden we als lezers ook geconfronteerd met de wreedheid van de Spanjaarden die zich al in delen van Mexico hadden gevestigd: Indianen werden in honderdtallen gedood of weggevoerd als slaven.

De tocht van Álvar Núñez wordt onderbroken door een ‘Tussenspel’ (p. 48 – 49), dat het verhaal een tweede en misschien wel derde laag geeft. De ‘ik’ uit de eerste scène blikt terug: ‘Ik stond ooit hier in de woestijn en zag de Rio Grande,’ en hij wist nog niet dat Núñez daar was langsgekomen. De natuur is nog ongerept: er is nog geen ‘Trumpeske boef’ te bespeuren, er zijn geen bendes en de muur is er ook nog niet. Wel zijn er aanwijzingen dat de illusie van puurheid snel voorbij kan zijn: ‘een vlot gehelmde zwemvesten schoot /          luidkeels peddelend voorbij. / Gespleten rotsen zwegen. (De cursiveringen zijn van mij).

Zijn latere fascinatie door Álvar Núñez wordt snel duidelijk: de ‘ik’, ‘een godvergeten minnaar van extremen’ lijkt op hem, hij wil een voettocht maken zonder moderne hulpmiddelen, alleen goede schoenen, een strohoed en een rugzak met de allernoodzakelijkste spullen voldoen. Een fragment:

lopen langs de Grande tot Rincón,
waarna de oversteek,
.          almaar lopend leek het
of ik wegliep uit mijzelf
tot het lot zou toeslaan
op een plaats ver in het westen, daar
waar de koetsierszweep en saguaro bloeien
en Álvar Núñez afboog naar het zuiden
om de oceaan bij Culiacán
ten langen leste te omhelzen,
en ik, verloren in dat helse paradijs
(oog in oog met het appel-
grijs van een bijziende slang),
als een welhaast ontvleesd skelet
op rauwe voeten zwikkend
door het zinkgat van de tijd
verdwijnen zou
om de vergetelheid
ontdaan van alles
te begroeten.

Mooi is dat paradoxale ‘helse paradijs’, waarin de ‘appel-’ niet ontbreekt, maar de ‘bijziende slang’ de ‘ik’ niet ziet en hem daarom ook niet zal verleiden. Hij blijft in het paradijs en zal verdwijnen in ‘het zinkgat van de tijd’. Mooie metafoor. Een zinkgat ontstaat als een holte instort die is ontstaan door bijvoorbeeld het oplossen van kalksteen in water. Het zinkgat in de tijd maakt het hem mogelijk de vergetelheid te begroeten: is dat de dood? Het los zijn van alles? Je onttrekken aan de huidige tijd? Totale vrijheid?

Misschien is er nog een andere laag: een beeld van wat de dichter nastreeft met zijn poëzie. Misschien heeft die hete woestijn dezelfde betekenis als de leegte in de poolstreken, het wit, de alles bedekkende sneeuw in veel van Ten Berges poëzie. Een stukje eerder in het ‘Tussenspel’, omringd door witregels, staan de volgende woorden, zelf ook weer door wit omringd: ‘Leegte      Öde      Vide      Void’: leegte, verlaten, leeg en leegte. Is dit een aanduiding van wat poëzie voor Ten Berge moet zijn? Zou kunnen. In de ‘Dagboekbladen’, ook opgenomen in Een spreeuw voor Harriët, schrijft hij terloops: ‘Poëzie is een belijdenis van de leegte, proza een uitbarsting van ideeën en woorden die vaardig gestuurd en in toom moeten worden gehouden.’ (p. 229). Maar of je bereikt wat je in je hoofd hebt, is de vraag. De laatste regels van ‘Tussenspel’ luiden: ‘Denk je dat ’t lukken zal? / Bij God, ik doe m’n best’. (Interessant: wie praat hier tegen de ‘ik’? De latere ‘ik’? Of (ironisch) Ten Berge?)

‘Een script in 45 scènes & een tussenspel’. Een goede regisseur zou van De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca een boeiende film kunnen maken. Ik zou er beslist naartoe gaan, maar in het besef dat ik veel zou missen: een verhalend gedicht met een natuurlijke, onnadrukkelijke gelaagdheid in de heldere, ritmische taal van Ten Berge.
____

H.C. ten Berge (2019). De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca. Koppernik, 66 blz. € 18,50. ISBN 9789492313782

Geplaatst in Recensies.