Kamiel Choi – Minder aardig

Mens van taal

door Peter J.R. Vermaat

‘minder aardig is een samenraapsel van gedichten.
deze tekst is geen reclame.’

Wie op deze manier zijn boek toelicht in de schappen van de grote blauwe internetboekhandel, heeft ofwel geen behoefte om ‘gekend’ te worden, ofwel streeft naar een maximale uitvloeiing van zijn ironie. Na het lezen van het interview in Meander van enige tijd geleden, waarin de auteur Kamiel Choi verklaart zijn boeken uit principe in eigen beheer uit te geven, houd ik inmiddels ook rekening met een derde mogelijkheid, namelijk dat deze handelwijze erop gericht is om zich uitsluitend in taal te willen laten kennen en op geen enkele wijze daar buiten of buitenom. Daarin doet zich een symbolistische combinatie aan ons voor van zowel volkomen als mens uit het eigen werk verdwijnen als een – door dat werk – kosmische expansie van het ik:

ik vind dit zo’n goed gedicht
er zit ritme in en rijm
ook heeft het een geheel
eigen stijl

er komt beeldspraak
bij kijken en van pathos
is het niet gespeend
noch van moed

ja, misschien is de dichter zelf
wel hierin aanwezig

[p. 17]

Naast bijna opzichtig droge, zo je wilt on-dichterlijke, teksten is op meerdere plaatsen in de bundel zichtbaar dat de auteur, of hij dat wil of niet, werkelijke poëzie schrijven kan:

Opstagedicht

licht is van alle dagen
ga erin staan,

verzin wat van waarde is
laat de orakels maar,

raak wat dingen aan,
ervaar

hoe je huis een geluid begraaft
licht een blad doorschijnt

[p. 19]

Door de korte i- en de lange aa-klanken evoceert de taal in dit gedicht meer dan er semantisch van het gedicht af te lezen valt. Het gewone wordt tot buiten-gewone, het licht een teken van oneindigheid. Hier leidt het muzikale karakter van de taal van het gedicht tot een uittreding buiten de strikte betekenis van de woorden, hun onderling verband of zelfs de persoonlijke associaties die ze bij verschillende lezers kunnen oproepen. Misschien is dit muzikale een deel van het algemeen-menselijke karakter van taal, dat, in tegenstelling tot het strikt persoonlijke, door dichters als Martinus Nijhoff werd nagestreefd. Mocht Choi dit streven delen, dan is zijn strategie in elk geval een geheel andere.

Dit brengt mij op mijn bezwaar tegen het ‘samenraapsel’, dat Choi zo nadrukkelijk als compositievorm van zijn bundels benadrukt. Dat bezwaar heeft zowel een praktisch als een principieel aspect. Praktisch gezien heeft het ‘samenrapen’ tot gevolg dat de bundel gevormd wordt door een qua kwaliteit ongelijke verzameling van teksten, waarbij je je als lezer terecht mag afvragen wat er nodig is om (welke) teksten (dan ook) buiten een bundel te laten. Niet alles wat een auteur schrijft is het lezen waard. De gedichten die ik in deze bespreking citeer, worden in de bundel helaas vaak geflankeerd door teksten, die ik omwille van de indruk van de bundel voor de lezer eigenlijk zou moeten citeren, maar waarbij ik dat nalaat, omdat ik daarmee mijn eigen indruk van de dichter Choi te nadrukkelijk onderuit zou halen. Het schrijven van niet-lezenswaardige teksten onderscheidt de dichter niet van de niet-dichter en vormt mijns inziens daarom ook geen bestaansgrond voor enige bundeling van die teksten. In dit samenraapsel probeert de dichter Kamiel Choi zich actief aan die identiteit van dichterschap te onttrekken. Jammer en mijns inziens zowel onzinnig als onnodig en vooral onterecht.

Het principiële aspect weegt wat mij betreft minstens even zwaar. Er gaat immers al een keuze vooraf aan het wel of niet vastleggen van taal. Naast, onder, boven, voor en achter het ‘samenraapsel’ van geschreven teksten moet een overstelpende hoeveelheid gedachte en gesproken, maar niet opgeschreven taal onderdeel hebben uitgemaakt van het bewustzijn van de auteur. Aan het willen vermijden van enige selectie in de opgeschreven taal gaat daarmee een veel ingrijpender selectie vooraf, die het willen afzien van selectie naderhand sterk aan belang doet inboeten.

Vanuit de consequentie geredeneerd (maar ik geef meteen toe dat ik deze eis in eerste instantie vooral aan mijzelf zou stellen) is een sterk gecomponeerde bundel daarmee een ‘eerlijker’ uitingsvorm van een dichter dan een chronologisch bepaalde ‘oplezing’.

Een uitgever die samen met zijn auteurs werkt aan een zo goed mogelijk oeuvre, is zich van het bovenstaande bewust en beschermt zijn dichters als het goed is tijdens een wat mindere periode. Wat je ook van het huidige uitgeversklimaat moge vinden, het door uitgave in eigen beheer omzeilen van hun mogelijk kritische blik is ook deels een vorm van zelfrechtvaardiging. Wanneer je schrijft en selecteert gedurende vijf, misschien wel tien jaar en je weet een bundel aan te bieden van uitsluitend gedichten op het niveau als van dat hieronder, zal een werkelijk literaire uitgever je zeker niet de deur wijzen:

Reizen

Ik vlieg vandaag in het kader van iets terug
in de taal die mijn eerste jaren schraagt
ik ben een exoot, een oude zee die het lot
liefkoost

in de verste ruist het, beelden vallen
over elkaar,

ik laat mijn geest uit in de zee
de mooiste sterren worden ogen
op de meeste golven reis ik,
een rimpeling

Ibn Battuta schrijft dat je van al dat reizen
een vreemdeling wordt in je eigen land

ik schrijf dat thuis een list is
iets oneindigs in ons hart

[p. 45]

Via Ibn Battuta (1304-1368), een legendarische reiziger, die gedurende een groot deel van zijn leven het grootste deel van de toenmalige islamitische wereld bezocht, raakt Kamiel Choi, mogelijk in een onbewaakt ogenblik, aan een kennelijk wezenskenmerk van de dichter zelf. Als Belgisch Zuid-Koreaan, opgegroeid in Vlaanderen en woonachtig in Zuid-Korea, ervaart en erkent hij in dit gedicht de vervreemding, het nergens werkelijk thuis zijn als een gegeven en tegelijkertijd een list van het hart zonder zicht op eindigheid. De slechts gedeeltelijk bevredigende vereniging van twee werelden in zijn eigen persoon duikt op meer plaatsen in de bundel op, maar nergens zo sprekend als in het slot van bovenstaand gedicht. Wie zoiets leest, bladert even niet door.

En er is meer. Tussen de regels van ogenschijnlijke en werkelijke ironie, de berichten van deze en gene zijde van de globe, de reisverslagen van degene die liever een thuis had gevonden, vinden we af en toe een venster op de werkelijkheid met gebroken glas, waaraan we onze neus en vingers snijden:

Strand

De aangespoelden hebben hun kleren
nog aan en hun gezichten nog op

Ooit waren ze vertrokken met de smaak
van het beloofde land op hun lippen

Ooit maakten ze grappen over dikke
witte wijven en iedereen een Mercedes

Ooit schitterden hun zwarte ogen
als ze elkaar vertelden over het paradijs

Nu liggen ze daar dood in de vloed
in de lens van de beschaving

Roffelt de zachte donder van verontwaardiging

Langs de zee hipt een meeuwenjong
alsof het strandjut naar hun woorden

[p. 61]

In de jonge meeuw kunnen we een dichter herkennen. Uiteindelijk is iedereen een mens van taal.

___

Kamiel Choi (2019). Minder aardig. Eigen beheer, 92 blz. € 19,79. ISBN 9789402197167

 

Geplaatst in Recensies.