Chris Marmenout – Het verlangen van de zee

Mijmert u even mee?

door Peter J.R. Vermaat

Onlangs speelde er op Facebook een discussie over de benaming van mannen en vrouwen die gedichten schrijven: zou je de mannen ‘dichters’ en de vrouwen ‘dichteressen’ moeten noemen, of heten allen gewoon ‘dichters’. Vanuit verschillende hoeken werd opgemerkt dat de connotatie van het woord ‘dichteres’ veel mensen noopt zo’n auteur minder serieus te nemen dan zij bij een ‘dichter’ zouden doen.

Daar zit een kern van waarheid in en ik vrees dat de dichteressen dat ook aan zichzelf te wijten hebben. Lang nadat de dominee-dichters hadden opgehouden hun stichtelijke rijmen aan de buitenwereld prijs te geven, bleven er dames die niet van ophouden wisten. Met name in de religieuze hoek werden (en worden nog steeds) de boodschappen in rijm, maar steeds vaker zonder, uitgestrooid over het kerkgetrouw of op wereldverbetering gericht publiek. Ook in de creatieve sector, die zich met succes meester gemaakt heeft van de vrije tijd van veel ouderen, trekt de ‘dichteres’ graag op met de cursus aquarelleren, de leergang wijnproeven en het bridgetoernooi op elke derde donderdagavond van de maand. Waarschijnlijk mag je stellen dat een ‘dichteres’ meer gericht is op de inhoud dan op de taal, meer op het noemen en aanduiden dan op het door middel van klank suggereren wat er niet letterlijk staat. De ‘dichteres’ maakt van een zin in proza een gedicht door hem in drie of vier stukken te hakken en zo een grotere bladspiegel te creëren. Op gedichtenfora op internet wordt zo’n vorm – niet prijzend bedoeld – ook wel een totempaal genoemd:

de laatste zeilers
haasten zich de haven in
gerimpelde rust
het strand
een matte spiegel
voor het laatste rood

wij vouwen de tijd
en wachten
op het blauw van de nacht

een al te vaak vergeten
schemer
eenzaamheid
draagt vluchtig licht aan

roerloos ademen
nog een baken te ver

[p. 32]

Lees maar, er staat wat er staat. Het beeld van de kust bij zonsondergang met een zweem van memento mori mag je gerust een cliché noemen. Je kunt er een overvloed aan posters en ansichtkaarten van kopen. Ook heeft de dichteres weinig moeite gedaan om het gegeven ‘eenzaamheid’ te suggereren, het woord staat min of meer plompverloren in de tekst. Er zijn veel lezers die smullen van dergelijke teksten en er bij voorkeur op reageren met uitspraken als ‘diep gevoeld’ of ‘dapper dat je dit met ons deelde’. Naar mijn mening leggen intenties echter geen gewicht in de schaal; uitsluitend het resultaat telt. Bovenstaande tekst overtuigt mij niet.

De bundel Het verlangen van de zee van Chris Marmenout staat vol met dit soort teksten, waarin het vooral gaat om de bedeesde herinnering, de kleine traan in de ooghoek of het zweempje donker bij een blik op de toekomst:

September

hoog nog de zon
op het klaterend terrasje
een bas-reliëf tussen de bloemen
mensen stappen driftig voorbij
geen die ziet
een vlinder op de schaduw
van mijn schouder

[p. 68]

Voor de ingewijde lezer van dit soort fluistertaal is slechts een half woord nodig om een goed verstaander te zijn; de zon staat ‘nog’ hoog (het leven is een aflopende zaak), mensen stappen ‘driftig’ voorbij (de massa van de mensen heeft geen boodschap aan gevoeligheid) en er is een ‘vlinder’ (de kwetsbare ziel van de gevoelige mens) op de ‘schaduw’ (het einde is nabij) van een schouder. Het gebruik van dergelijke woorden heeft niets te maken met de immanente zeggingskracht van taal, maar wordt gebruikt als sjibbolet voor de beoefenaars van het diepvoelend schrijven. Je kunt ze bijna opvatten als verkeersborden; ‘rechtsaf naar een vleugje doodsangst’, ‘stapvoets door een perkje bloemen van geluk’ of ‘past u op voor lichte neerslag van tranen op het levenspad’. Door de liefhebbers van het genre wordt iedere kritiek ‘van buitenaf’ gesmoord in de vaststelling dat men ‘het niet kan meevoelen’ of ‘de subtiele klank van de taal niet verstaat’. Het zal mij ook nu wel weer gebeuren. Ik sta er nu eenmaal anders in. Poëzie is geen nipje sherry bij het knapperend haardvuur, geen lampion boven de tafel van ‘het goede gesprek’ en geen foto van het gebogen gras ‘nadat wij daar gelegen hadden’:

Een ongekooid geluk

nu zij zich vleit
in de wellustige wijsheid van deze heuvels
en hij haar oksels zoent
nu hij tussen haar gedachten wandelt
wilde honing van een onwennige zon in zijn haar
nu zij de hunker van zijn lijf voelt
als hij op huidbreedte haar geur verkent
dit tomeloze stoeien van hun adem
tot een oase van verrukking in hun ogen woont

[p. 82]

Wat moet een lezer met dergelijke quasi-symbolische preutsheid? Poëzie is in de eerste plaats samengekleefd uit taal die je nieuwsgierig maakt, een landschap waarin je op zoek gaat zonder ooit alle paden bewandeld te kunnen hebben. Poëzie mag je opeens geniepig in de rug stoten, je laten struikelen, maar vooral zeggen wat niet in taal gezegd kan worden.
De dichter neemt dat risico, hij slaagt of faalt geweldig. Hij is niet bezig met pasteltinten van een zonsondergang of gebroken wit van jonge lammetjes. De taal is graniet en klei, bosgrond en moerasdrab, zomp, ontbindingsgeur en zeezout. Waar de dichter schraapt, streelt, stompt en beukt, heft de dichteres echter de pink bij het nippen aan een kopje thee.

zoals je niets zegt tegen mij
en naar het water kijkt
de zon in je haar

dromen duurt maar even

[p. 69]

De dichteres deelt liever zijn of haar gedachten met de lezer dan die met de taal in het kruis te stoten. De dichteres houdt meer van mijmeren dan van aanklagen. Mijmert u mee? Het duurt gelukkig maar even.

____

Chris Marmenout (2019). Het verlangen van de zee. Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, 88 blz. € 19,90. ISBN 9789059276260

Geplaatst in Recensies.