“Een zelfgemaakt fundament onder mijn bestaan”

Pieter Boskma (1956) maakte in 1988 furore in de poëzie als één van de Maximalen, samen met Tom Lanoye, K. Michel, Frank Starik, Joost Zwagerman, e.a. Sindsdien zijn er met grote regelmaat bundels van hem gepubliceerd en is hij gelauwerd. Hij schrijft wat we vandaag-de-dag misschien wel prozagedichten noemen, zegt hij zelf, soms vele pagina’s lang, episch en lyrisch. Marten Janse sprak met hem over hoe personages tot leven komen in de poëzie en met elkaar in dialoog treden.

Zondag 8 december is Boskma op tv bij VPRO Boeken met zijn nieuwste bundel: Van de zoon en de zee. Een recensie treft u 20 december op Meander aan.

foto Koos Breukel

 

Je bent dichter. En dat ben je altijd geweest?
Er is een nieuwe bundel van mij uitgekomen in oktober: Van de zoon en de zee (2019). M’n zestiende poëziebundel. Qua omvang telt het haast als een dertigste bundel, ik schrijf nogal veel. Deze keer zit er drie jaar tussen deze publicatie en de vorige. Dat is voor mijn doen extreem lang.

Ik ben pas op mijn dertigste gedebuteerd. Ik had het gevoel dat ik iets moest inhalen. Nu heb ik geen behoefte meer om elke nacht te schrijven, dat gaat op een moment ook niet meer. En misschien ben ik al doende trefzekerder geworden. Om mij heen zie ik mensen naar hun pensioen uitkijken en daar moet ik niet aan denken: ‘beetje fietsen, beetje lopen, museumpje bezoeken’. Ik doe dat nu al, maar dan tussen de bedrijven door.

Hoe is het allemaal begonnen?
Op m’n dertiende, midden in het schooljaar, verhuisde ik van Leeuwarden naar Heiloo. Op een moeilijke leeftijd. Achteraf weet ik dat ik toen al af en toe iets opschreef. Uit heimwee of verlangen. Ik dacht dat het daar begon. Maar op de lagere school, toen ik tien jaar oud was, luisterden wij op schoolradio naar een hoorspel. Er werd door de KRO een halve aflevering uitgezonden en we deden mee aan een landelijke wedstrijd om dat scenario af te maken. En dat heb ik toen gewonnen.

Mijn interesse voor poëzie begon met Paul van Ostaijen en Lucebert. Dat greep me meteen. Een intens gevoel, alsof je naar een feest gaat. Heel opwindend! Meer, meer, dat wil ik ook! Dus ging ik studeren. Nederlands, natuurlijk, maar daar was ik voor de Kerst al mee klaar. Met name door de taalkunde, dat vond ik helemaal niets. Ik wilde literatuur doen. Toen ben ik Engels gaan studeren. Dat was het ook niet. En uiteindelijk met horten en stoten, stoppen en weer doorgaan ben ik afgestudeerd in Antropologie.

Ik was toen negenentwintig en had veel gereisd tijdens m’n studie. Ik ben begonnen bij het Rijksmuseum voor Volkerenkunde als conservator afdeling Indonesië. Een mooie plek. Toch heb ik dat maar zo’n anderhalf jaar volgehouden. In die periode kwam namelijk ook mijn debuut uit: Quest (1987). Ik kwam een beetje in een spagaat. En toen bedacht ik dat ik vol voor de poëzie moest gaan.

En je had het tij mee?
Neen! Maar in 1988 kwam de bloemlezing Maximaal! uit en dat kreeg enorme publiciteit in de literaire wereld. Het was een bundel samen met dichters als Tom Lanoye, K. Michel, René Huijgen, Frank Starik en Joost Zwagerman. We kenden elkaar van een podium van Leo van der Zalm, een wat oudere dichter. Onder de geuzennaam ‘Maximalen’ ageerden we tegen de hermetische kliek. De poëziewereld was erg gesloten in die tijd, vrij academisch, beetje naar binnen gekeerd. Het was erg moeilijk om daar tussen te komen. Wij waren jong en smeedden woeste plannen in de kroeg en schreven opgewonden poëzie met een gespannen toontje. We moesten flink op de deur bonzen, maar het is wel gelukt om binnen te komen. En dat was nodig want men was vergeten dat poëzie kunst is en geen wetenschap.

 

Tuinstof I

.                                                                                             voor de Maximalen

Zou ik net als de oude Monet de stof voor mijn werk
uit mijn tuin kunnen halen? We verfoeiden het in dagen
dat de poëzie gevangen zat bij mottige geleerden
aan een ingedutte faculteit. Elke tuin was verdacht,
Wie had er nou een tuin? Wij woonden hoog van de grond
in de binnenstad! De ramen moesten open! Seks, drank
en straatrumoer, geen stofzang op een tuinhek!

En Dal, in Parijs, wierp met de kreet ‘La Muse dans la rue!’
een onthutste medewerkster van het Institut Neerlandais
over zijn schouder en tilde haar naar buiten, want die
open ramen namen we toen erg serieus…

Maar zoveel doden verder, de poëzie op straat ontploft
en alle kanten opgestoven, moet ik steeds vaker denken
aan Monet in zijn tuin met vijvers en Japanse bruggetjes, en al
die waterlelies, smekend om een plekje op zijn canvas, of aan
Gorter in z’n duinhuis, door de ruisvleugels van de branding
opgetild, glijdend door de lichternis die om de dennen speelt,
of aan Tolstoj op zijn landgoed dat hij zo jong al erfde, badend
in de weelde van volkomen vrije tijd, en hoe zij daar uiteindelijk,
hun domeinen goed omheind, de poorten vast op slot,
hun mooiste werken maakten, ver van het rumoer der soort.

Ik moet mijn schrijftafel maar plaatsen naast de reuzenvaren,
de oudste plant ter wereld, onder de reuzenconifeer,
de alleroudste boom, en uitzien over de saffieren gloed
van de lobelia’s, de subtiel gestreepte tinten lila van de floxen,
het energie opwekkend helder geel van de erysimum,
en de siëstakalmewarme geur opsnuiven van lavendel
op een sprietje kauwend ingaan tot Mariablauwe luchten
en zonlicht op zien spatten van zoldervensters aan een gracht,
waar geleerde kamers dutten in een halve schemer
en kasten vol stadsgedichten luidkeels zijn verstomd.

Ik zou vast een oeroud zwaard uit een wolk zien flitsen
en de slam-strot op de podia met één houw openhalen.
De stekker ging uit elke kreet en ieder uitroepteken,
alleen de groene ogen van het zwijgen vingen licht,
alleen de groene oren van de stilte hoorden het gedicht
dat op mijn tafel klom en vast veel stof tot denken gaf,
aan het genie van een Monet, een Gorter of een Tolstoj,
en de noodzaak van een poëzie die afstand durft te nemen
van eerdere verkenningen en bezopen wegomleggingen.
Ik zou het moeten doen. Ik heb het al gedaan

uit: Tsunami in de Amstel, (De Bezige Bij, 2016)

Kunst, en geen wetenschap…
Na een tijdje gaat het stof altijd weer liggen en dan keert alles vaak terug in het oude patroon. Maar het blijft raar, vind ik, dat zoveel dichters en critici Nederlands gaan studeren. Als je niet uitkijkt krijg je uiteindelijk altijd weer poëzie-voor-Neerlandici. En dan haken andere lezers af. Poëzie moet iets met je doen, het moet een bepaalde muzikaliteit bevatten.

En het moet ergens over gaan. Ik hou van de combinatie van het epische en het lyrische. Ik had het gevoel dat veel poëzie wel mooi of beeldend was, maar een verhaal miste. Daar rust ook een beetje een taboe op, het is die vraag die je niet mag stellen: waar gaat je gedicht over? Ik heb jaren workshops aan de Schrijversvakschool gegeven en toen ben ik die vraag wel gaan stellen. Heel vaak wisten de cursisten het antwoord niet.

Hoe zou je willen dat we naar jouw gedichten kijken?
Er is geen grens, er is wel een grensgebied en dat heb ik opgezocht. Wat ik maak zouden ze vandaag-de-dag misschien prozagedichten noemen. Ik hou van het lange gedicht en daar heb ik wel eens vijfenzestig bladzijden voor gebruikt. Ik ben nieuwsgierig. Als mensen bijvoorbeeld zeggen dat je niet kunt schrijven over de liefde wanneer je verliefd bent, dan probeer ik dat juist. En dan blijkt het wel degelijk te kunnen, als je het maar goed doet.

Als lezer moet je geëmotioneerd worden, in de breedste zin van het woord. Ontroerd, verdrietig, vrolijk, boos of verwonderd. En daarvoor gebruik ik het metrum, het ritme, de klankafwisseling in de woorden, de cadans, kortom muzikaliteit. Want het moet je iets doen, dat is de gewaarwording bij de lezer. En pas dan klopt het voor de dichter.

Het probleem van recensies is dat een goede recensie net zo tenenkrommend kan zijn als een slechte recensie. In beide gevallen kunnen er dingen benoemd worden waarbij je zelf denkt: waarom noemen ze dat andere niet? Mijn poëzie is, denk ik, wat soberder en toegankelijker geworden. Ik was wel eens wat exuberant en vloog daardoor wat meer uit de bocht, maar het geluid, mijn stem en de toon zijn onveranderd gebleven. Technisch is het ook verbeterd.

Hoe heb jij je ontwikkeld als dichter?
Mijn vierde bundel, Simpel heelal (1995), werd goed ontvangen door de generatie na mij, Menno Wigman, Tommy Wieringa e.a. en daar zat ook al veel vertellende poëzie in. Maar ik denk toch dat vooral het vertellende element sterker is geworden.

Als je kijkt naar Puur (2004) en Het violette uur (2008) dan waren dat hele talige bundels, misschien wat minder toegankelijk dan Doodsbloei (2010), meer de lyrische, zingende, poëzie. Met Doodsbloei heb ik 252 ‘sonnetten’ geschreven na de dood van mijn vrouw, waarbij ik opzettelijk de wetten van het sonnet met voeten heb getreden. Want ik schreef niet voor critici, maar met een toegankelijke toon voor mensen om, net als bij mij, ook bij hen het hartstochtelijke verdriet los te maken en te troosten. Ik heb daar heel veel positieve reacties op gekregen!

Dat succes heeft mij verleid om die toegankelijke toon langer vast te houden, maar in de laatste bundels ben ik toch weer terug bij de muzikale, lyrische poëzie. In mijn nieuwste bundel zit een gedicht van dertig pagina’s over de zee. Ik heb daarvoor het perspectief van de zee gekozen als stem, een hoogmoedig ‘wij’ dat zichzelf het liefst als opvolger van god ziet en enorm wraakzuchtig is en een hekel heeft aan de mens. Maar niet aan het kind. En het kind is de andere stem in de bundel en dankzij het kind wordt een nieuwe zondvloed uitgesteld.

Het verhaal dat je vertelt is dus meerstemmig. Is het een dialoog?
De stemmen zitten altijd in m’n poëzie. Mijn vriend, de dichter Paul van der Steen (1950 – 1991), bijvoorbeeld, heb ik na zijn dood terug laten keren in Simpel heelal (1995) om te vertellen hoe het is om dood te zijn. En hij orakelt er dan enorm op los. Ik heb natuurlijk geen enkel idee waar dat vandaan komt, ik heb dat vrijwel gedachteloos opgeschreven. Maar toen ik het teruglas, dacht ik: het zou zo best kunnen.

En in m’n nieuwste bundel heb ik mijn zoontje laten vertellen hoe het is om geboren te worden. En dat begint dan in de moederbuik. Empathisch, fantasierijk, ja, maar ook heel logisch. Hij zegt bijvoorbeeld: voor je kan praten weet je alles. Je hebt een samenhangend beeld van de werkelijkheid omdat je nog niets benoemt. Pas als je gaat benoemen, isoleren objecten zich van elkaar. In plaats van een vloeibare samenhangende werkelijkheid fragmenteert deze in een werkelijkheid van losstaande objecten. Leren praten is het verliezen van de samenhang.

In jouw poëzie probeer je dat verlies te herstellen?
In Het zingende doek (1999) –dat over poëzie gaat- breng ik schilders samen die niets met elkaar te maken hebben en afkomstig zijn uit verschillende eeuwen, Pieter de Hooch en Pablo Picasso bijvoorbeeld. Gaandeweg doet dat er niet zo veel meer toe en zijn ze samen in het gedicht. Dat heeft de poëzie dus tot stand gebracht. Een gedicht kan orde scheppen in de chaos van het bestaan.

Dat klinkt als een nieuw verhaal naast de oudere. Maar ook als een volgorde…
Mijn bundels kan je niet willekeurig openslaan en daar beginnen met lezen, dan mis je het verhaal. Ik ben altijd enorm aan het componeren om de thematiek rond te krijgen. Dat lees je terug in de chronologie van wat ik geschreven heb. Daarin herken je de verwijzingen en hoor je wie er aan het woord is, welke stem.

Wat heeft dat verhaal met de werkelijkheid te maken?
De werkelijkheid komt voort uit de taal en als je aan poëzie werkt zijn identiteiten welhaast inwisselbaar in de taal. Toen ik met Doodsbloei (2010) bezig was heb ik dat gemerkt. Op een gegeven moment dacht ik dat niet mijn vrouw, maar dat ik gestorven was. Je kunt je verliezen in het schrijven van poëzie en er knettergek van worden. Want wat is werkelijkheid? De hoogste vorm van werkelijkheid, heb ik besloten, is het gedroomde gedicht, het gedicht dat nog niet geschreven is, nog niet fysiek bestaat, maar alleen in de geest.

 

Tuinstof II
.                                                                                                         voor de Muze

De tafel geplaatst op de voornoemde plek: naast de reuzenvaren
onder de reuzenconifeer. Het oergroen maakt mij slaperig,
de woorden sluipen ondergronds. Zij kunnen niet beschrijven

hoe ritmisch en betoverend het zonlicht stuitert op het glanzend blad
van de pioenroos, zij kunnen niets bevrijden, zoals dit licht
bevrijd wordt door de wind die met de bomen solt.

Mijn voeten wortelen, mijn handen liggen werkeloos op het papier
dat aan de randen door een windvlaag opkrult, alsof het ook niet
begrijpt waarom het blanco blijft, en de schouders ophaalt.

De tijd verstrijkt, maar dat maakt hem niet uit, hij verstrijkt alleen
voor wie daar in geloven, hij is dus een soort god, alleen bestaand
en werkzaam voor wie hem liefheeft zonder hem werkelijk te kennen.

Het oergroen ruist instemmend: mens op de goede weg! Een ekster
pikt wat in de aarde rond de roze pluim van een spirea, lijkt even
te luisteren en vliegt dan geërgerd weg. Wat heeft hij gehoord?

Welke ondergrondse klanken openbaarden zich aan hem?
Een traag gebed? Een liefdeslied? Een bloederige vloek?
Toen klom over de schutting een meisje dat van wanten wist,

dat kon je aan haar voluptueuze naaktheid heel goed zien.
De pen sprong in de hand van de plots menselijke vogels
en het werd een hele wedstrijd wie haar het best omschreef.

De merel zou wel winnen, die bezong haar al zo vaak.
Ik wedde echter op de rotgans die loom kwam aangewaggeld
en ondanks zijn naam een aangenaam karakter had.

De tuin viel half in duigen van zijn schrijfgeweld – hij zou mij
wel zijn wanneer ik dadelijk wakker werd, snakkend naar
een zolder met regen op het dak, in een jaar en seizoen

al zo lang vergeten in zo lang begraven woorden dat geen worm
er nog naar taalt, een kaal geknaagd kadaver, aan niets meer
te herkennen, alleen de wind in haar gebeente

fluistert soms haar naam. Zij was schatrijk op straat gejaagd
en straatarm teruggekeerd. Leeggezogen door perfide doden-
fluisteraars, gemarteld en vermoord door grammatica-ontregelaars.

Laat haar in de bodem rusten, vergeet haar bestaan. Zij heeft
haar geheimen mee in het graf genomen. Wie wortelt
kan soms stuiten op de vele plekken waar zij ligt,

en iets aan de aarde prijsgeeft dat lijkt op een gedicht.
Hij voelt het door zijn lichaam stromen als een nieuw
en beter bloed: het tilt hem op, het geeft hem vleugels,

ook al is dat slechts de schaduw van zijn strooien hoed.

uit: Tsunami in de Amstel (De Bezige Bij, 2016)

 

 

Geplaatst in Interviews.