Rinske Kegel – Als het maar een vacht heeft

Een dood schaap voor alle vormen van verlies

door Janine Jongsma



Rinske Kegel (1973) is dichter en schrijver. Haar gedichten zijn gepubliceerd in menig literair tijdschrift, onder andere in Revisor, De Gids, Extaze en Het Liegend konijn. Met haar poëzie viel ze regelmatig in de prijzen, ze trad op bij grote en bekende poëziefestivals.

Johan Reijmerink besprak haar eerste bundel, die ze uitgaf in eigen beheer: Als ik win verlies ik mijn reputatie als verliezer (2015) en gaf als waardevolle tip mee: ‘Het is de kunst die imaginaire overdrijvingen in de pen te houden’. Dat is zeker gelukt in deze bundel die glanzend uitgevoerd met kleurrijke omslag het debuut van Kegel bij een reguliere uitgeverij vormt. Het blijft een vreemd gegeven dat uitgevers de potentie en het talent van deze dichter onderkenden maar haar werk niet uitbrachten. In het interview van vorig jaar vraagt Alja Spaan haar: ‘waar wacht men op?’ Het antwoord van Kegel is veelzeggend: ‘JA, WAAR WACHT MEN NOG OP??’ Gelukkig besloot de nieuwe uitgeverij De Zeef een poëzieprijs uit te schrijven voor opmerkelijke debutanten en eindigde Kegel in 2018 bij de laatste drie. Haar bundel is nu een feit.

De bundel heeft drie zorgvuldig uitgekozen afdelingen: ‘Als het maar een vacht heeft’, ‘Moeder spelen’ en ‘De intercom van het brein’. De gedichten in parlandostijl zijn helder en gemakkelijk te begrijpen. De concreet beeldende zinnen zijn sterk. Het is jammer dat er bij Kegel nog steeds geen consistentie zit in haar gebruik van leestekens. Dat creëert soms een wat onrustig beeld.

‘Als het maar een vacht heeft’ is ook de titel van het sterke openingsgedicht waarin een instrument als metafoor dient voor het lichaam. In de laatste strofe lezen we:

Leg mijn instrument in een donkere
koude ruimte bij een schaap
dat misschien dood is
als het maar een vacht heeft
als het er maar tegenaan mag liggen

De toon is gezet. De ik-figuur neemt genoegen met een schaap, het maakt niet uit welk schaap, het mag zelfs een dood schaap zijn zolang het maar een vacht heeft om tegenaan te liggen. Dat is de essentie van deze bundel: alle gedichten ademen hoorbaar vormen van verlies die bijna terloops aanvaard worden, alsof de ik-figuur niet beter weet.

Op gebiedende wijs zegt de dichter dat wij de ik-figuur in een ondergeschikte positie moeten plaatsen. We zien deze ondergeschikte positie vaker terugkomen zoals in het gedicht ‘Erwt’ waarin een vrouw verlaten is en maar blijft hopen op de terugkomst van een geliefde. Die kan wellicht ook bezig zijn met matrassen opstapelen voor een prinses, ‘voor de erwt en het er nog steeds / niet genoeg zijn en ik die erwt ben’. Ze overdrijft hierin niet, dat maakt dat ik mij kan verplaatsten in de kwetsbaarheid van de ik-figuur. De eerste afdeling gaat over liefdesrelaties. Met beeldrijke zinnen: ‘Je ogen die zo diep zijn als een gootsteenputje. / Ik zit in je schaduw en probeer te blijven.’

In de afdeling ‘Moeder spelen’ gaat de ik-figuur voornamelijk terug naar haar jeugd. We maken kennis met een familie: een vader die zijn best doet, een moeder met verdriet, een zus die amper eet, een incestueuze oom en een stel broers: ‘Mijn jongere broers waren paradepaardjes met grote voortanden en kuifhaar / Ze likten vaak langs hun lippen om het levensgenot te proeven. / Ze hielden van draadjesvlees en aten het liefst rennend’. Kegel verstaat de kunst om in een strofe van drie regels een heel verhaal te vertellen. Ze trekt je rechtstreeks het gedicht binnen. Zoals in het titelgedicht van de afdeling:

Moeder spelen

Ik had een zus die bijna niets meer at
een moeder met een ziel als een oorlogswinter
een vader die wel meeviel

Een hoogslaper waaronder het donker
zich ophoopte, een geweten als craquelé

Er keek niemand bij ons naar binnen terwijl we
van wat er bij ons binnenkwam niets begrepen
alsof we naar een stomme film keken
probeerden we te raden wat er werd gezegd

Er was altijd iemand thuis als we uit school
kwamen, dan zat er een vrouw met koekjes
en thee een moederrol te spelen

Je zou kunnen denken dat moeder overleden is en een andere vrouw de rol heeft overgenomen. Maar het is veel erger, moeder is alleen lichamelijk nog aanwezig om de moederrol te vervullen, met ‘haar ziel als een oorlogswinter’ is ze geestelijk afwezig. Een gedicht dat vragen oproept met een laatste strofe die je als lezer uit balans brengt.

Mijn absolute favoriet in deze bundel is: ‘Er is geen tuin’. Concreet, beeldend en coherent met een diepere onderlaag erin.

Er is geen tuin

Het huis van vroeger is nu een poppenhuis
kleine vader kleine moeder nog kleinere zusjes
en alle gebeurtenissen zijn in stukken gehakt
ik ben het kind dat met de poppetjes speelt
ze zijn meestal vrolijk

Het huis is van draadjesvlees
er komt traanvocht uit de douche
er is geen tuin, daar spelen de zusjes

Ik zet alle deuren open en blaas er wind door
in de huiskamer is de bank een zuignap
waar mijn moeder door wordt aangezogen
ik klamp mijn kleine zelf vast aan mijn moeder
zodat de bank haar niet kan verteren

Er staat een bureau met een heel kleine typemachine
waarop mijn kleine vader hulpverleningsverslagjes tikt

Alles draait om de titel; ‘Er is geen tuin’. In strofe twee lezen we dat de ik-figuur ‘draadjesvlees’ (waar haar jongere broers wel van hielden) associeert met het huis en het verdriet van vroeger: ‘er komt traanvocht uit de douche / er is geen tuin, daar spelen de zusjes’, is cruciaal in dit gedicht. Als er geen tuin is hoe kunnen daar dan de zusjes spelen? Staat de tuin synoniem voor de hemel? Zijn de zusjes gestorven in de tuin en heeft men die voor altijd afgesloten? We weten het niet, dat laat Kegel aan de lezer over. De ik-figuur blaast wind door het poppenhuis maar daar is de bank een zuignap waar moeder altijd zo op vastgeplakt zat dat de ik-figuur bang is dat die bank haar kan verteren. Ze klampt haar kleine zelf vast aan moeder. Let op de kunst van het weglaten; niet aan kleine moeder maar aan moeder. Het gedicht eindigt aandoenlijk met: ‘waarop mijn kleine vader hulpverleningsverslagjes tikt’. Hoe paradoxaal! De hulpeloosheid van die zin is treffend.

In de laatste afdeling ‘De intercom van het brein’ gaan we met Kegel mee in haar gedachten. Ook deze titel is weer goed gekozen en ze spaart zichzelf niet. Hier vinden we onder andere ‘Complexe botbreuk’ met het mooie pijnlijke einde ‘het zachte lapje van vroeger / dat naar mij rook is gereïncarneerd / als ik dood ga zal het een vliegend tapijt zijn // ik verlang naar een complexe botbreuk / die toch gelijmd kan worden’. Bij ieder gedicht in deze bundel gun ik de ik-figuur een dood schaap met een zachte, dikke vacht om tegenaan te liggen. En dat is knap!

____

Rinske Kegel (2019). Als het maar een vacht heeft. Uitgeverij De Zeef, 48 blz. € 17,00. ISBN 9789493138025

Geplaatst in Recensies.