Koenraad Goudeseune – Vrachtbrief

Wie is de Bob?

door Hans Puper

In Vrachtbrief, de nieuwe bundel van Koenraad Goudeseune, is de ik-figuur opnieuw een romantisch buitenstaander en dat is niet verwonderlijk, want hij is een dichter van één thema: liefde of vergeefse liefde, eenzaamheid, drank en dood. Het dichterschap is onder andere een middel om alle dagelijkse ellende dragelijk te maken. Met verbeelding bijvoorbeeld: ‘Ik verzin je in de hoop dat ik / door jou verzonnen word’ (p. 18). ‘Mijn dochter is ros, beetje mollig, een schat / van een meisje. Claesgen mijn. / Maar ze bestaat alleen maar in mijn verbeelding.’ (p. 37). Niet dat het helpt: ‘Gedichten helpen het leven te verdragen, zegt men, maar nu / ik lees wat ik geschreven heb, wou ik dat ik niet schrijven kon.’ (p.26).

De bundel bestaat voor ongeveer een derde deel uit sonnetten – dat is ook de titel van de eerste afdeling – die vooral visueel als zodanig herkenbaar zijn; aan regels laat Goudeseune zich weinig gelegen liggen. Twee derde van de bundel bestaat uit vrije verzen, onder de titel ‘Vrachtbrief’. Dat is een schriftelijke overeenkomst tussen de verzender van een lading en de vervoerder daarvan. Een vrachtrijder moet die altijd bij zich hebben, zo ook de ik-figuur, die regelmatig laat weten chauffeur te zijn van een ‘camion’, waarin hij ongestoord naar jazz kan luisteren. In het titelgedicht laat hij weten wat hij als dichter graag wil. De laatste strofe:

Een gedicht met in de laatste regel een geschenk
dat onuitgepakt blijft, niet vermeld staat in de vrachtbrief
en dat door de douane niet wordt opgemerkt.

(p.68)

Grappig: Douane is de uitgever van Goudeseune. Wat heeft hij binnengesmokkeld, wat hebben zij en wellicht ook de lezers niet opgemerkt? Nijhoffs ‘Kijk maar, er staat niet wat er staat’? Dat lijkt me sterk, goede lezers merken dat wel op. Of staan er dingen die alleen voor enkele insiders herkenbaar zijn?

Mooi is het gedicht ‘Toerist’, representatief voor het levensgevoel van de ‘ik’.

Vandaag, zondag, is alleen een toerist gekomen.
Hij belde aan en vroeg me naar bezienswaardigheden
in een vreemde taal. Een tijdlang was ik sprakeloos
van zijn verzoek, toch liet ik de vreemde binnen.

Het daagde me dat wat hij zocht niet zoveel verschilt
van wat ik zoek en dat we om die reden heel wat
te vertellen hadden. Naar bijzonderheden kon ik hem
niet vragen in zijn taal en die van mij begreep hij niet.

Hij is niet lang gebleven. Dit is het, zei ik. Hier woon ik.
Niemand vroeg me eerder naar de zin, het waarom.
Al kon ik me verstaanbaar maken, te zeggen valt het niet.

Een moment lang was het of we elkaar begrepen
en het een kwestie was van ’t juist jargon. Hij zei nog iets
en nam dan afscheid. Ik ging weer aan mijn tafel zitten.

(p.17)

Het is zondag, er belt een vreemdeling aan. Christus in de gedaante van een moderne toerist die hem als eerste vraagt naar de zin en het waarom van het bestaan? Zo ja, dan biedt hij weinig soelaas en biedt het aloude jargon geen begrip. Of gaat het om een doler als de dichter zelf, ook een voorbijganger in dit leven? Mooi zijn frasen als: ‘Dit is het, zei ik. Hier woon ik’ en ‘Ik ging weer aan tafel zitten.’ Eenzamer kun je het niet maken.

Een vrachtwagenchauffeur heeft altijd haast. De dichter ook, lijkt het wel, hij laat weleens een steekje vallen. Neem ‘Vorm’, een overpeinzing over het schrijven van een gedicht.

Een gevuld wijnglas heeft aan de wijn
de bepaling te danken
van met wijn gevuld te zijn.

Maar de wijn kan het glas niet anders vullen
dan door zich aan te passen aan de vorm
die het glas nu eenmaal heeft.

Zo is dit gedicht mijn gedicht,
niet zozeer omdat ik het heb geschreven,
maar omdat ik geen woord heb gemorst.

Alles wat dit gedicht vormt
is alleen denkbaar in deze regels
en in geen enkele andere.

Niet één.

(p. 79)

Je moet nooit morsen met wijn, natuurlijk. Schenk met vaste hand of laat het aan een ander over. Maar als het toch gebeurt: schenk een beetje bij en je hebt het gemorste woord terug. Doe dat wel voorzichtig, want een teveel aan woorden geeft ook problemen. Maar ‘alleen denkbaar in deze regels / en in geen enkele andere’? Dat lijkt me onzin. Wijnglazen heb je in allerlei soorten en maten. De relatie vorm en inhoud is in deze voorstelling willekeurig, geen organische eenheid. Gooi dezelfde hoeveelheid wijn in een vierkant whiskyglas en je hebt een prozagedicht.

Een dissonant in deze bundel vind ik het hekeldicht ‘Jozef Deleu, het spijt me’ (p. 86), waarin de ik-figuur de gedichten van ‘de poortwachter van de poëzie’ en zijn tijdschrift Het Liegend Konijn afkraakt: “Je tijdschrift ‘Het liegend konijn’, / met ‘uit het nest geroofde’ gedichten – / sorry hoor, maar dat zijn geen nesten, / dat zijn geen gedichten.” Maar soms dan toch weer wel: ‘Nou ja, af en toe wel natuurlijk, / maar die gedichten wachten [sic – HP] een heuse geboorte, / in een eigen bundel. // Niet jouw soort betoelaagd bloemlezen’. Het ontvangen van subsidie is kennelijk een reden voor minachting; het wekt daarom verwondering om in het colofon van Vrachtbrief te lezen dat ‘Koenraad Goudeseune […] voor het schrijven van Vrachtbrief een werkbeurs voor literaire auteurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren [ontving]’, hetzelfde fonds dat ook Het Liegend Konijn subsidieert. En wie een hekeldicht schrijft, moet zich wel verdiepen in zijn doelwit: ‘Je laat dichters aan het woord / zoals een zwembad zwemmers, / met als enige discipline: schoolslag’. Wat je ook op het tijdschrift tegen hebt, om uniformiteit kan het niet gaan.

In het eerder genoemde gedicht Vrachtbrief noemt de ik, die sterk op Goudeseune lijkt, zich een middelmatig dichter die af en toe een goed gedicht schrijft. Het zij zo. Wat voor hem pleit, is dat hij een herkenbare stem heeft.

___

Koenraad Goudeseune (2019). Vrachtbrief. Uitgeverij Douane, 97 blz. € 17.50. ISBN 9789493020108

Geplaatst in Recensies.