Oprecht Veinzen

door Hans Puper

‘Wat zit u toch voor u uit te mompelen, goede man. We zitten hier in een stiltecoupé. U stoort me.’
‘Excuus’, zei Johannes. ‘Een gedicht. Als je gedichten uit je hoofd leert, heb je ze altijd bij je.’ De man kwam hem vaag bekend voor, maar thuisbrengen kon hij hem niet. De conducteur die even later langskwam, bracht uitkomst. ‘Ah, mijnheer Groot Bunink. Filosoof. Ik heb uw nieuwe boek net uit, over de collectief-uniforme uniciteit en het najagen van geluk. Heel boeiend. Laat de plaatsbewijzen maar zitten heren, ik geloof jullie zo ook wel.’
‘Narrow escape’, lachte Groot Bunink toen ze was doorgelopen, ‘filosofen hebben weinig geld.’
Het ijs was gebroken. ‘Ik heb u gezien op een terras in Amsterdam’, zei Johannes. ‘U gaf mij en mijn vrienden Ralf en Pjotr in het voorbijgaan een goede tip voor onze discussie over tijdbeleving in de poëzie. Ik zie hen vandaag ook weer.’
‘Ik ga een lezing geven in Paradiso, over de geschiedenis van het ik, de perceptie, te beginnen met Fichte. Das Ich vollzieht sich selbst nur dadurch, das es im Ich dem Ich ein Nicht-Ich entgegensetzt.’
‘Die zaal is uitverkocht, geen twijfel mogelijk.’
‘Neem uw moeder in de maling, beste man. Maar dat gedicht, van wie was dat?’
‘Van Pessoa. Voordragen?’
‘Graag.’
Johannes ging staan en schraapte zijn keel.

‘DIT

Men zegt dat al wat ik schrijf
Óf veins of lieg. Maar nee.
’t Is enkel gevoel dat bij mij
Is wat ik mij verbeeld.
De hartslag doet niet mee.

Al wat ik doormaak, wat ik droom,
Wat mij ontvalt en mij ontbreekt,
Is als het ware een balkon
Dat op iets anders uitzicht geeft.
Dat and’re is wat schoonheid heeft.

Zo schrijf ik midden in
Wat niet dicht bij mij ligt,
Vrij van gevoel dat bindt,
Ernstig om wat niet leeft.
Voelen? Is voor wie leest!’

Hij ging weer zitten. Groot Bunink dacht na. ‘Een dichter die praat of schrijft over zijn ik, wie is dan die ik?’ zei hij na enige ogenblikken. Er is een ik-subject dat spreekt over een ik-object, alsof het een ander is. Toch zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daar is in de filosofie lang over nagedacht, zonder daar uit te komen. En nu komt er nog een laag bij. Een ik schrijft over een ik dat zijn emoties gebruikt om zich een ik te verbeelden. Dat is tenminste niet uitgesloten.’
Johannes onderbrak hem; als altijd hoorde hij alleen wat hij wilde horen. ‘Het is nog veel leuker. Hij zegt dat hij niet veinst, dat het verbeelding is, maar hij veinst wel degelijk. Het is oprecht veinzen. Dat heb ik niet van mezelf, volgens mij zei Oscar Wilde dat. Dichters liegen de waarheid.’
‘Ga verder.’
‘Emoties en gebeurtenissen zijn materiaal voor het schrijven van fictie. Wie emoties wil opwekken bij de lezer moet heel goed nadenken over de manier waarop hij dat gaat doen. Daar kun je geen emoties bij gebruiken. In een ander gedicht zegt de dichter dat hij voelt met zijn verstand. Mooi, hè? En als het goed wordt, gelooft de lezer in dat fictieve ik, hij herkent het, het is echt. Zo is het en niet anders, denkt hij dan.’
‘Of zij.’
‘Ja. En dichters die hun emoties rechtstreeks op papier pletteren, klinken vaak vals, volkomen onecht.’
Een jonge vrouw klapte boos haar laptop dicht en liep op hen toe.
‘Heren! U zit in een stiltecoupé!’
‘Excuus’, zei Groot Bunink.
‘Excuus’ zei Johannes.

Geplaatst in Column.