Jana Arns – Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn

Artefacten van taal, gerangschikt

door Peter Vermaat




‘Wie de mensen wil leren kennen, moet zich richten op de dingen om hen heen’. Een kamer voorafgaand aan een ruzie ziet er anders uit dan diezelfde kamer na de woordenwisseling. Althans, dat zou je kunnen denken na het lezen van de bundel Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn van Jana Arns. Het is niet voor niets dat de dichter zich gedurende een hele afdeling heeft laten inspireren door schilderijen van Edward Hopper (1882-1967), bijvoorbeeld ‘Room in New York’ uit 1932:

Room in New York

Hier is geen plaats voor tweestemmigheid.
Kamermuziek beslaat krant en zwijgen.

Hij leest gisteren, zij is ontstemd.
Het huwelijk, een toon gezakt.

De eenzit centraal,
geen tafel van vermenigvuldiging.

De deur mist een klink.
De avond ging toch al nergens heen.

[p. 26]

Dit gedicht is in een aantal aspecten kenmerkend voor Arns’ poëzie in deze bundel. In de eerste plaats is daar de vorm van twee, maximaal drie regels per couplet en vier tot vijf coupletten per gedicht. Daarin meestal een zin per regel, waarin uitsluitend de hoogst nodige woorden zijn opgenomen. De taal is voornamelijk het staccato van de waarneming en de constatering, nergens lijkt plek voor lyriek of muziek. Een gedicht van Arns bestaat uit een aantal artefacten van taal, uit de grondsteen gehamerd en bij elkaar geplaatst, gerangschikt in een installatie van beperkte omvang. Leggen we het gedicht naast het schilderij, dan valt ook een aantal zaken op. Waar Hopper de gezichten met opzet vaag gelaten heeft om de onkenbaarheid van het individu te benadrukken, krijgt de lezer uit het gedicht de indruk dat het om een heel specifiek huwelijk gaat en dat de dichter daar veel meer weet van heeft dan ze op het papier wil loslaten. Een tijdlang dacht ik dat er tevens een dichterlijke vrijheid blootgelegd werd, omdat de deur op het schilderij wel degelijk een klink leek te hebben. Ik had echter een strik op de schouder van de vrouw, bij nadere beschouwing even rood als haar jurk, abusievelijk voor klink versleten. Het ‘geen klink hebben’ versterkt in het gedicht in elk geval de muzikale connotatie, die al door ’tweestemmigheid’ ‘kamermuziek’, ‘ontstemd’ en ‘een toon’ is opgeroepen.

Ook de afsluitende afdeling, met dezelfde titel als de bundel, roept deze sfeer op:

I.

Het huis leeft in reserve.
Boven stoot een kamer af.
Naast de bel verbleken onze namen:

een grafschrift zonder jaartallen.
Hoe we daarover met dokters praten
en zij ons langer thuis schrijven dan wij elkaar verdragen.

We lopen de muren op,
rijden rond in lege verhuiswagens,
verbeelden ons in kleinere huizen.

We vechten over de verdeling van nachten,
verversen het logeerbed met oude lakens.

Schilderen in afwachting van,
een nieuwe laag over de laatste jaren.

[p. 48]

Evenals de lezer stelt de dichter zich op als beschouwer, waarbij wat beschreven wordt niet als persoonlijke waarneming, maar als feit wordt gepresenteerd. Iedereen zou het op die manier kunnen zien. De dichter staat als het ware in de menigte te kijken naar het verval van het huis, zonder de nadruk te willen leggen op de omstandigheid dat zij daar zelf woonachtig is. De taal wordt gebruikt als middel van registratie, van optelling en van totaal-generaal in het grootboek van de werkelijkheid. De lezer leest en hoort dezelfde verschijnselen en wordt op die manier deelgenoot van dezelfde werkelijkheid als die van de dichter. Door het niet te hebben over het individu, gaat het daarmee over iedereen. Deze kunstopvatting sluit nauw aan bij die van Martinus Nijhoff zo’n honderd jaar geleden, waarbij het algemeen-menselijke werd belicht ten koste van het individualistische uit de Romantiek. Zo slingert het uurwerk van de poëzie voortdurend, maar uiterst traag, heen en weer tussen het ‘ik’ en het ‘iedereen’ waarbij de opvatting van ‘wij’ bepaald wordt door de afstand tot één van beide uiterste posities.

Kenmerkend voor de gedichten in deze bundel is ook dat ze nauwelijks gebruikmaken van de muzikale eigenschappen van woorden, maar voornamelijk van betekenis:

Zuid-Spanje

Hoe we elk jaar verder weg moeten
om tot elkaar te komen:

daar waar lege koffers
minder zwaar zijn om te dragen.

Onze hoofden raken niet door de controle,
overschrijden elke toegestane hoeveelheid.

Alle tandvullingen in het bakje,
mijn geduld wordt ontmanteld.

Van het hotel valt elke nacht een ster.
Achteloos schrijven wij op blanco postkaarten.

In de loopgraven van het strand
vecht men tien dagen om een plek.

Het is thuis dat we sneuvelen.

[p. 43]

De betekenis van de vallende ’ster’ in r. 9 combineert de betekenis van een ‘vallende ster’ in de zin van een zichtbare meteoriet in de (letterlijke) nacht, waarbij je volgens het volksgeloof een wens mag doen (waarbij je dus mag hopen op verbetering) met die van de ‘ster’ als symbool voor de kwaliteit van het hotel, die blijkbaar iedere nacht (hier: overnachting) minder wordt (waarbij je dus moet vrezen voor verslechtering). Dit taalspel ziet er ingenieus uit, maar heeft als nadeel dat je het na een of twee keer lezen wel doorhebt. Je kunt je immers niet blijven verwonderen over een schip dat op een zandbank naar het late journaal ligt te kijken.

Samenvattend is er in Jana Arns’ bundel Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn voor de lezer die zich bij voorkeur begeeft in de ruimte ‘tussen taal en beeld’ het nodige te beleven, maar is er iets minder te halen voor de lezer die liever in de ruimte ‘tussen taal en klank’ vertoeft.

Drie sterren uit vijf.
Het hoeft ook niet altijd zomer te zijn.
____

Jana Arns (2019). Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn. Uitgeverij P, 63 blz. € 17,00. ISBN 9789492339966

Geplaatst in Recensies.