Jolies Heij

Jolies Heij is podiumdichter en treedt overal op waar de poëzie haar brengt. Onderweg vangt zij impressies van steden, landschappen, verdwaalden, kroegtijgers en nachtwakers in woorden. In haar bundel Lolita zei (2016) kregen deze ruwe kristallen van het leven een verrukte, of beter gezegd, “verrückte” stem.

foto Theo Huijgens

 

 

manieren van afscheid, middelen van vertrek

we liepen in de groeven van de stad, ramen van lucht
sloegen ons gade, de pont lag vast aan de overkant

en onze voeten waren niet van water, we hunkerden
naar vaste grond, je zei, het wordt al later

nog even en wij zijn vergeten in het schuim, de vaart
der dingen, maar ik was altijd gesteld op het duister

van november, de rivier met dakpanzilver geplaveid
we bestelden liefde maar kregen geen gehoor

de pont kwam alsnog om de knarsende stilte te verbreken
doorkliefde je spiegeling in het water, de herinnering

werd ondergedompeld in stationsgeluiden, hier
staat het afscheid recht overeind en vertrek is in

de treurnis van neonbuizen, altijd moet er iets
in beweging worden gezet, want stilstand is brak water

en gaan een rivier, je duwde je fiets voort, het stuur
stak in mijn rug en ik vreesde je nooit terug te zien

maar jij komt met het seizoen, als de regen het geweten sust
het hart doet smelten en ik tegen je praat

als een oude bekende, als de boom die uit zijn wortels groeide
maar toen ik wegkeek was je fiets verdwenen
Zomer in Zeeland

We sliepen met Saskia en Serge in een duinpan
renden met de zeepaardjes
regen kwallen aan het spit.

We legden zandkastelen aan
met een slotgracht van snot
we wilden ons werpen voor tankers aan de gezichtseinder

om mee naar Engeland te varen
emmers zeezout over de horizon kiepend
golfbrekers tot in de hemel.

Het enige andere gezin met schep was Duits
maar moeder verzekerde ons
dat ze niets met de oorlog te maken hadden.

Ik had graag eens een mof tot moes geslagen
en cowboy en indiaantje gespeeld
met schepjes, vormpjes en emmertjes.

Graag was ik terug in de schelp gekropen
om het ruisen van die jaren weer te horen
we gingen met de zon naar bed

namen een zeester als huisdier
speelden buut onder de strandtent op brakke palen
groeven een kuil voor onze foto-albums.
morgenwekker en nachtwaker

je weet dat ik op dit uur geen goud in de mond heb
je mag van mij als de bleke zon tegen muren opkruipen

de lucht in plassen oprapen, de troosteloze scherven van het
nachtelijke regenen, de duiven voeren na knikkebollend vasten

je was nooit maanziek, kent geen ander hemellichaam
dan je sterrenbeeld dat je trekt in de ochtendkrant

je bent opgewekt, gewekt door het gloren, het krieken
van al te wakkere beloftes, de ketel voor jou gemaakt

die je aanzet tot fluitende daden, er is altijd een begin
een nieuw en eindes ferm afgewikkeld, niet de losse hand

je wordt filosofisch bij het bakken van een ei en de geur van
koffiebonen, je denkt aan wat er komt, kiept het droesem weg

jij bent het die mijn glazen ruimt, vergeef me het navelstaren
ik heb gewacht op een ingeving, een woord in de nacht

dat ik lokte als een kwijnende kater, een opvliegende vleermuis
ik zat bij halogeenlicht terwijl jij dwaalde in droomtaal

nu ben ik blind en moe van de reis, de verzen waarmee ik mezelf
kastijdde, kom dan flank aan flank terug in bed en rust uit
Geplaatst in Gedichten.