Liesbeth Aerts – Woonoperaties

Snijzaal zonder bloed

door Peter Vermaat




Van de schrijver J.J. Voskuil is opgetekend dat hij, als drijfveer voor het schrijven van omvangrijke prozawerken, ‘een probleem’ te lijf moest. In de bundel Woonoperaties van Liesbeth Aerts is dit probleem de optelsom (of zo je wilt juist de deling) van twee levens in hetzelfde huis. Te oordelen naar de titel van de bundel is het daarbij de inzet van de dichter om dit samenleven te ontleden, waarbij ik een andere mogelijke interpretatie, namelijk op basis van ‘operatie’ in de vorm van (militaire) expeditie, slechts aanstip, daar ik daarvoor zelf onvoldoende aanknopingspunten in de bundel vond.

In de afdelingen ‘waar je blijft’, ‘draaiplan’ en ‘kerndeeltjes’ heeft Aerts een aantal rijmloze en meestal titelloze parlandogedichten, vaak bestaand uit distichons en terzinen, samengebracht, waarin vanuit op afstand geplaatste waarnemingspunten het samenleven in een huis van een man en vrouw en hun entourage worden beschouwd:

a

ik wil me aanvlijen tegen je boze schouder, die
blokje voor blokje afbreken tot op het aanraakpunt
dat is het punt waarop je me aankijkt, maar
zou scheuren mocht ik naast je plaatsnemen

dus lopen we dagenlang een evenwijdig traject
beschrijven elk een vierkant om de tafel
het mijne past perfect binnen het jouwe
ik zou je nooit te buiten treden

b

zij wil zich ingraven in mijn broze schouder
die brokje voor brokje leeg peuzelen tot op het bot
dat is het uiterste punt van samenhang, haar gevijlde
figuur zou kraakbeen raspen mocht ze naast mij gaan zitten

dus beschrijven we cirkels om ons middel
elk in een hoek van de kamer
als om onze plaats te bepalen
ze zou me nooit te binnen schieten

[p. 9]

Bovenstaand gedicht is qua opbouw één van de meer ingenieuze: vrouw (ik) en man (hij) hebben een overduidelijk verschillend perspectief; zij in vierkanten om de tafel in het midden, binnen het zijne, hij in cirkels in de hoeken van de kamer, buiten elkaar, met ‘te buiten treden’ tegenover ‘te binnen schieten’, ‘boze’ tegenover ‘broze’. De afstand is volledig, niets lijkt te passen.

De toon die wordt gezet is die van het ontleedmes, de kleur die overheerst is het steriele wit van de snijzaal. Ik proef geen vlees en bloed. Ondanks het feit dat in a en b een verschillende kijk op de ervaren werkelijkheid wordt beschreven, worden het niet meer dan twee brillenglazen waardoor de lezer kijken mag, twee ogen die zien door dezelfde verrekijker. De dichter trekt een hoge afrastering op rond de plaats van gebeurtenis en de lezer blijft daardoor buitenstaander.

Waar de eerste afdeling lijkt te gaan over het samenkomen van de man en vrouw, is de tweede gewijd aan het samen wonen in hetzelfde leven:

laat ons zijden en hoeken wereldwijd ombuigen tot cirkels
het stappen volgens lijn en richting afzweren tot niemand
nog perspectief verlangt of een einder die echoot

wij rijden om een meer in steeds kleinere cirkels tot we tollend
onszelf de bodem inboren mee met het slaande water

en weerloos in het ondergrondse buitelen omdat het mooier is
dat hoofd, nek, schouders plooien en rollen
dat de rug zich kromt alvorens zich te strekken

[p. 21]

We constateren dat hier de cirkels van b de overhand krijgen over de vierkanten van a uit het gedicht hierboven, dat er een middelpuntzoekende beweging ontstaat en het tweetal daarmee zich als het ware de ondergrond in schroeft. Het woord ‘inboren’ is verwant met de in een aantal andere gedichten in de bundel gebruikte beeldspraak van een schip en mijn eerste associatie met de gebruikte taal was het verhaal ‘A Descent into the Maelström’ van Edgar Allan Poe, maar dan opnieuw van veraf waargenomen en veel minder beleefd vanuit de kern van de ervaring. Voor mij als lezer is er daarmee slechts in beperkte mate iets te ‘genieten’: een aantal keren aardige beeldspraak, hier en daar een opvallende observatie. Maar nergens word ik door de kracht van taal overweldigd, nooit is het muziek van klank die het omgevingsgeluid tijdens het lezen overstemt. Er is geen diep loofwoud waarin de seizoenen mij achtereenvolgens overvallen, maar hoogstens zie ik mij wandelen in een stadspark van afzienbare omvang.

Mogelijk ben ik daarin één van de weinigen, maar mogelijk is ook de opzet, zo je wilt de ontstaansgrond van de bundel, daar debet aan. Ik lees niet over verraad of redding, niet over verlies en diefstal, er wordt niet geschreeuwd en evenmin gefluisterd, niet aangeklaagd en al helemaal niet gelachen. De taal is op kamertemperatuur, niet heet van woede of scherp koud van haat. Heeft de dichter geprobeerd om, door het verwijderen van het al te persoonlijke, het overblijvende herkenbaar te laten zijn voor iedereen?

In de derde afdeling, die getuige de opdracht aan ‘Foor, Kaat en Roel’,  gewijd is aan de kinderen, zet het slotgedicht al het voorgaande in verband:

we dansen samen dat niet
om iedere hoek de mogelijkheid

zich aanbiedt te doen alsof
niets van dit ooit echt was

er is geen patroon, we schuiven maar wat
mijn gebeten glimlach om je schouders

dat in een kamer een kantelend
huis met tuin

wij

ons nog bevinden, verbaasd
om iedere betere keuze
die zich voor de voeten gooit
en die we langzaam smoren

wil iedereen ons dan laten
hellen. slepend. wijkend

we moeten helder denken
het draait steevast op ons uit

[p. 45]

Wijken.
Kijken.
Achteromzien.

Nakijken.
Verrekijken.
Naar een snijzaal zonder bloed.

____

Liesbeth Aerts (2019). Woonoperaties. Uitgeverij P, 48 blz. € 16,00. ISBN 9789492339997

Geplaatst in Recensies.