Moralisme en zelfcensuur

door Hans Puper

De in zijn tijd immens populaire dominee-dichter Nicolaas Beets was het schoolvoorbeeld van moralisme en vaderlandse gemeenschapszin. Tegenwoordig zie je deze combinatie regelmatig terug in de gedichten van veel stads-, dorps- en streekdichters en ongetwijfeld ook in de stortvloed aan coronagedichten.

Dat moralisme komt voort uit godsdiensten en wereldse ideologieën. Hoe verschillend die onderling ook zijn, ze hebben één ding gemeen: een onwrikbaar geloof in eigen gelijk en bekeringsdrift. De critici onder hen baseren daarop hun voornaamste beoordelingscriteria.
Volgelingen van Beets wilden weinig weten van autonome poëzie en realistische schrijvers die het leven wilden weergeven zoals het was, en niet zoals dat zou moeten zijn. Later, in het interbellum, gaven dichters, schrijvers en essayisten als Marsman, Nijhoff, Bloem, Du Perron en Ter Braak de toon aan, ook als critici. Maar het moralisme ging bepaald niet ondergronds en tot het einde van de verzuiling, ongeveer eind jaren zestig, werden schrijvers als Jan Cremer, Wolkers en Reve door confessionele critici afgeschilderd als zedelozen en blasfemisten. Humanisten hadden grote moeite met het ‘negatieve wereldbeeld’, van ‘nihilisten’ als Hermans. Je diende de lezer een positief mensbeeld voor te houden, een opvatting die nooit is verdwenen.

Het hedendaags moralisme komt voort uit een aantal min of meer samenhangende opvattingen, zoals over identiteit. Flaubert en Couperus, de schrijvers van Madame Bovary en Eline Vere, zouden nu heel wat uit te leggen hebben: waar haalden ze in godsnaam de euvele moed vandaan om als man in de huid van een vrouw te kruipen? Schrijven hoor je vanuit je identiteit te doen, volgens deze critici. Onzin natuurlijk, dat zou het failliet van fictie zijn. Waar het om gaat is dat een schrijver zijn hoofdpersonen geloofwaardig neerzet, en dat is een kwestie van literair talent.

Roelof ten Napel schreef in het nieuwe nummer van De Gids een uitstekend artikel, ‘Het ongemak hoort’. De aanleiding was het hoorbare ongemak van Ilja Leonard Pfeijffer bij het voorlezen van een paar regels uit ‘reisgids v’ van Radna Fabias: ‘rode mensen en zij die daarbij horen willen / worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende / negers’. Dat ongemak is voorstelbaar. Maar een kortere en beeldender samenvatting van koloniale verhoudingen moet ik nog tegenkomen; de benaming ‘zwarten’ had daar afbreuk aan gedaan. Ten Napel legt in zijn artikel niet voor niets de nadruk op taalgebruik , want dat weegt in deze tijd bij velen zeer zwaar. Hij deed onder andere de volgende observatie: ‘Er is een neiging, tegenwoordig, om ideologische kritiek voorrang te geven boven het beschouwen van de ongemakkelijke werkelijkheid. Men lijkt te denken dat als je je woorden verandert, de wereld wel zal volgen, en als je moreel rechtschapen personages schrijft of leest, ook de mensheid zich zal aanpassen. Maar waar de taal stilvalt, daar is niet de taal, maar de wereld ontoereikend. Waar woorden pijn doen, is de situatie die ze beschrijven pijnlijk. De mensen die we in tekortschietende personages herkennen, zijn de echte, levende, altijd tekortschietende mensen die bestáán.’

Dat moralisme in het verleden regelmatig leidde tot censuur, zal niemand verbazen. Neem de Idil, de katholieke ‘Informatie Dienst Inzake Lectuur’, die in de praktijk een lijst van verboden boeken was. Hij werd gebruikt van 1937 tot 1970. Maar hoe zit dat tegenwoordig? Er wordt al gesproken over een ‘cancel culture’: van de voorgenomen uitgave van bundels of romans wordt afgezien uit angst voor ideologische kritiek. In de VS gebeurt dat al regelmatig; of dat ook al in ons taalgebied gebeurt weet ik niet, maar het gevaar is in ieder geval niet denkbeeldig. Maar venijniger nog is zelfcensuur uit angst voor moralistische critici en onoverkomelijke bezwaren van redacteuren, met nietszeggende bundels voor gelijkgestemden als gevolg. En dan zijn we weer terug bij de gemeenschapszin in de geest van Nicolaas Beets.

Geplaatst in Column.