En toch krijg je Reinaert niet klein

door Hans Puper

Alfons de Ridder had zo’n bewondering voor het dertiende-eeuwse dierepos Van den vos Reynaerde, dat hij de voornaam van zijn pseudoniem Willem Elsschot ontleende aan de schrijver van dit meesterwerk. Hij had maar twee boeken in huis, beweerde hij: de bijbel en de Reinaert – een amusante combinatie. Ook Louis Paul Boon bewonderde Reinaert zeer: zijn Wapenbroeders is een geactualiseerde bewerking van het epos.

Het is niet verwonderlijk dat juist zij zo hartstochtelijk hielden van die sardonische, onvergetelijke satire over de hypocrisie van de adel en geestelijkheid, niet in het minst omdat machtsmisbruik, hebzucht en ijdelheid van alle tijden zijn. Elsschot en Boon zullen hebben genoten van de passages waarin ‘Heere Bruun’ de beer dankzij Reinaert zijn vraatzucht moet bekopen met een ongenadig en vernederend pak slaag van ‘dorper’ (dorpelingen) – Bruun was de afgezant van koning Nobel, die Reinaert vanwege zijn misdaden voor het hof moest dagvaarden. Maar misschien hielden zij nog wel meer van de gedeelten waarin de geestelijkheid op hilarische wijze op de hak wordt genomen: in hun tijd had de kerk de Vlaamse samenleving nog in een stevige greep. Hilarisch zijn de expliciete scènes waarin de kat Tibeert, net als Bruun door hebzucht in de val gelokt, in doodsnood een bal afbijt van de pastoor die naakt komt aanrennen om hem af te rossen met een stok. Dit tot grote woede van ‘vrauwe Julocke’, met wie de pastoor verschillende kinderen heeft: in bed heeft zij nu niets meer aan hem. Maar ook minder expliciete passages zullen hen hebben doen grijnzen – ik zie het voor me. Omdat de Reinaert in veel schooluitgaven door censuur werd verminkt tot een grappig, onschuldig verhaal, is het een daad van rechtvaardigheid er een paar te noemen, zoals de suggestie dat de haas Cuwaert door Reinaert zou zijn verkracht. De vos belooft hem het credo van de mis te leren zingen, zodat hij hem kapelaan kon maken. Hij moet daartoe strak tussen Reinaerts benen gaan zitten. Iemand kapelaan maken: het was een volkse uitdrukking voor de verkrachting van een man of jongen. Hier is een Middeleeuwse Reviaan aan het woord:

[Reinaert]
Ghelovede te leerne sinen crede
Ende soudene maken capelaen.
Doe dedine sitten gaen
Vaste tusschen sine beene.

(r. 142 – 145)

Voordat Reinaert na gedane zaken Cuwaerts kop wil afbijten, wordt hij gered door de echte kapelaan, de ram Belijn. Dezelfde die aan het eind van het verhaal door een verregaande ijdelheid van koning Nobel een ongenadig zware straf krijgt, zijn onschuldige familieleden en hun nakomelingen incluis: de straf duurt ‘Van nu totten doemsdaghe’.

Nog een mooie. Na de vergeefse pogingen van Bruun en Tibeert heeft de das Grimbeert de opdracht gekregen Reinaert voor het hof te dagen – dat kon maximaal drie keer en als de gedaagde daar opnieuw geen gehoor aan gaf, was hij vogelvrij. Reinaert gaat mee, ze gaan rechtstreeks naar het hof en bewandelen daarmee ook figuurlijk het rechte pad. Maar op initiatief van Reinaert verlaten ze dat, want buiten het klooster van de zwarte nonnen ziet hij heerlijk pluimvee.

Nu was buter rechter vaert
Dien si te gane hadden begonnen,
Een prioriteit van swarten nonnen,
Daer meneghe gans ende menich hoen,
Meneghe hinne, menich cappoen
Plaghen te weedene buten mure.

(r. 1694 – 1699)

Het pluimvee bevindt zich ‘buten mure’, buiten de kloostermuren – ook een suggestie van ontoelaatbaar gedrag. Het gaat om een metafoor van nonnen en paters die het liefdesspel spelen. Een cappoen bijvoorbeeld is een haan; gecastreerd weliswaar, maar daarmee werd ook verwezen naar het celibaat, iets wat we ook zien in het liedje ‘Sinterklaas kapoentje’.

Het is een werk dat iedereen moet kennen. Voor wie zijn geheugen wil ophalen, staat er een samenvatting op de site van het Reynaertgenootschap, gevolgd door een aantal boeiende uitspraken van schrijvers, natuurlijk ook van Louis Paul Boon. De integrale tekst vind je ook op deze site. Ikzelf gebruikte een tekst die daar op onderdelen iets van afwijkt – er zijn twee complete handschriften over, plus fragmenten van drie andere. Het gaat om kleine dingen. ‘Mijn’ Reinaert begint met: ‘Willem, die Madocke makede’, die van het genootschap met ‘Willem, die vele bouke maecte’.
Maar krijgen Nederlandse leerlingen nog les over Van den vos Reynaerde? Ik ben bang van niet. Zelfs de kans dat je gecensureerde uitgaven tegenkomt, wordt steeds kleiner. Studenten die een lerarenopleiding Nederlands doen, hoeven alleen nog literatuur na 1880 te bestuderen en ook die nog maar mondjesmaat. De kans is groot dat er in het voortgezet onderwijs leraren voor de klas komen te staan die nog nooit van de Reinaert hebben gehoord.
Ook toekomstige docenten met een universitaire opleiding komen er bekaaid af. Illustratief is de borstklopperij van de opleiding ‘Nederlandse taal en cultuur’ van de Universiteit Utrecht. In de DUB , de universitaire ‘onafhankelijke nieuws- en opiniesite’ lezen we dat de opleiding niet meedoet aan de ‘verengelsing’ van het universitair onderwijs: ‘[De Utrechtse neerlandici] staan zich er […] op voor de enige universiteit in Nederland, en zelfs ter wereld, te zijn waar studenten nog in het Nederlands een tweejarige onderzoeksmaster Nederlandse literatuur en cultuur kunnen volgen.’(30 januari 2018). Als enige ter wereld, jawel, het staat er! Maar ook op deze topopleiding kun je je niet meer specialiseren – ook dat lezen we in het DUB-artikel. Tel uit je winst. Is het gek dat er nog maar heel weinig studenten kiezen voor een studie Nederlands?

Ook in Vlaanderen lijkt de teloorgang van de historische letterkunde te zijn ingegaan. De wat pathetische verzuchting van J.F. Willems, Vlaams schrijver en Reinaertkenner uit de eerste helft van de negentiende eeuw, dreigt ook nu weer bewaarheid te worden, en niet alleen in België: ‘Reinaert is verre uit het beste gedicht, dat de middeleeuwen (Dante’s Divina Commedia uitgezonderd) aan Europa hebben opgeleverd. En dit gedicht is een Belgisch gedicht! En de Belgen kennen het niet!’ (1834). En wat te denken van de uitspraak van zijn tijdgenoot, de Engelse hoogleraar Joseph Bosworth? ‘If it were the only interesting and valuable work existing in old Dutch, it alone would fully repay the trouble of learning that language.’

En toch geeft Reinaert zich niet gewonnen. Zijn slot Maupertuus heeft nieuwe uitgangen, zoals Stemmen op schrift van Frits van Oostrom (het tweede deel van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur), het Reynaertgenootschap en DBNL, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Verhongeren zal ‘den fellen metten roden baerde’ niet. Kansen genoeg, ook bij het hof van onze eigen koning Nobel.

Geplaatst in Column.