Maurice Carême – De zomer ligt zoals een vrouw

Zaklopen in de taal

door Marc Bruynsereade




Willy Martin en Isabelle Bambust hebben 66 gedichten uit het omvangrijke oeuvre van de Franstalige Belgische schrijver Maurice Carême (1899-1978), dat meer dan 80 uitgaven telt, vertaald/hertaald naar het Nederlands.

Verwonderlijk mag men dat niet noemen als men weet dat Willy Martin emeritus hoogleraar lexicologie is en tegelijk ook hoofdredacteur van het tijdschrift Noord & Zuid– ik ging bijna schrijven ‘oppersmurf’ – van de Orde van den Prince. Dit Vlaams-Nederlandse genootschap heeft als doelstelling het bevorderen van de Nederlandse taal en cultuur. Isabelle Bambust is als doctor in de rechten gepromoveerd op een proefschrift over De Europese Gerechtelijke taalbescherming. Beide auteurs hebben dus van taal wel kaas gegeten. Ze hebben elkaar gevonden in de kennis van en bewondering voor het werk van Maurice Carême, dat uitmunt in helderheid, eenvoud en tintelende taal. Het mag verheugend genoemd worden dat, door deze uitgave, de sprankelende schoonheid van deze geëerde Belgisch-Franstalige dichter en ‘Prince des Poètes’ in ruimere kringen bekend gemaakt wordt.

Carême krijgt, als briljante student, een beurs om de Normaalschool in Tienen te volgen. Daar moedigt zijn leraar Julien Kuypers hem aan om te schrijven. Hij maakt ook kennis met de Nederlandse literatuur. Op jonge leeftijd ontdekt hij de poëzie van Guido Gezelle, Paul van Ostaijen, Karel Van de Woestijne, Maurice Gilliams en anderen. Hij gaat van deze dichters houden en vertaalt ze later naar het Frans, getuige de Anthologie de la Poésie Néerlandaise en Belgique 1830-1966, aldus Jozef Deleu in Ons Erfdeel Jg 11, 1967-68. ‘Vertalen’ zegt Carême ‘moet je met je hart doen.’ ‘Traduire avec son coeur’. Maar ook met intelligentie en kieskeurigheid. Met dit laatste bedoelen we dat hij zeer zorgvuldig uitzoekt wat wél en wat nièt vertaald/hertaald kan worden, zonder afbreuk te doen aan het oorspronkelijke. Want dàt is juist de uitdaging. ‘Moederken’ van Guido Gezelle en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen blijven in vertaling kort bij de oorspronkelijke betekenis. Ze zijn dus erg ‘vertaalbaar’. Ook het ‘Alpejagerslied’ van diezelfde van Ostaijen.

Wanneer Maurice Carême in de jaren 30 zelf in het onderwijs terecht komt en al aan het schrijven is, komt hij onder de indruk van hoe kinderen poëzie schrijven. Het pure, naïeve, fantasierijke en ongekunstelde fascineert hem en zal hem levenslang blijven boeien.
Zijn eigen gedichten zijn zeer vaak rijmend. Poëzie moet rijmen of het is geen poëzie, vindt Carême. In deze bloemlezing van Martin en Bambust zijn de vertalers ervan uitgegaan dat de hertaalde gedichten ook obligaat dat rijm moesten bewaren. Als dat in het Frans kan, waarom dan in het Nederlands niet? Dat leidt tot stroeve, gezochte, allesbehalve spontane, onpoëtische kronkels. Het lijkt wel zaklopen in de taal. De vraag is of het niet zinvoller geweest ware het rijmen te laten vallen, ten voordele van de essentie van het poëtische, namelijk de betekenis en het vloeiende, spontane klankgebruik, het speelse, dartele karakter van zijn verzen en woordkeuze.
In het gedicht ‘De lente tegemoet’ noteert Carême ‘Il pleut des milliers d’hirondelles’ , wat moet rijmen op het vers ‘De pleins paniers de fleurs nouvelles’. In de hertaling van Isabelle Bambust zijn de zwaluwen plots ‘mussen’ geworden, want dat moet rijmen op ‘kussen’. ‘Het regent wel duizend mussen / Veldbloemen op ’t groene kussen’. Als U mij vraagt wie het meest poëtische karakter heeft, zwaluwen of mussen, dan denk ik dat U het antwoord al raadt.

Met de zo delicate gedichten van Carême springt de uitspraak: ‘Traduttore, traditore’ mij in gedachten, wat onderlijnt dat het quasi onmogelijk is het originele om te zetten zonder het te beschadigen of te verminderen.

De titel van het boek luidt: De zomer ligt zoals een vrouw. De vertaling van L’été couché comme une femme. Het Nederlands heeft hier zoveel poëtische spankracht als: ‘de sleutels liggen op het nachtkastje’. Persoonlijk had ik het verleden deelwoord ‘liggend’ passender gevonden omdat het Franse ‘couché’ wel een bredere bijbetekenis heeft: uitgestrekt, neergelegd, luilekker liggen. Is dit hier een kwestie van smaak of van precisie ?

Gelukkig is van ieder gedicht ook de Franse versie bij het Nederlands afgedrukt, waardoor de lezer kan genieten van het sprankelende Franse origineel.

Eén van de hertalingen van Willy Martin is het gedicht ‘Drie kinderen’ uit de bundel Mer du Nord (1968), hoewel ik doorgaans een voorkeur heb voor de hertalingen van Isabelle Bambust, die iets vloeiender en creatiever zijn qua taalgebruik.

Trois enfants

Il ne reste plus sur la plage
Que trois enfants dans leur lainage:

Le vert veut que tienne en son seau
Toute la mer et ses bateaux;

Le jaune essaie de mettre en tas
Tout le sable aussi loin qu’on voit;

Le bleu, à chaque coup de pelle
Ne ramasse rien que du ciel.

Lorsque je passe, ils me regardent
Ingénument sans prendre garde

À mon air un peu étonné
De les voir ainsi s’acharner.

Seuls, sur l’immense plage ronde,
Trois enfants blonds refont le monde.


Drie kinderen

Alleen op een verlaten strand
Spelen drie kinderen in het zand.

Het meisje poogt in haar emmertje te vatten
De zee met haar onmetelijke schatten.

De jongste met een weids gebaar
Gooit hopen zand boven elkaar.

En af en toe raapt met zijn schop
De derde een stukje hemel op.

En ik, ik loop hen traag voorbij, verbaasd
Om zoveel ijver, blij dat zij mij niet eens merken.

Zo is op dit immense strand door iedereen verlaten,
Alleen maar dit: wind, water en het wit van zand

Waarmee drie kinderen
Opnieuw de wereld maken.

In de Nederlandse versie mis ik het speelse, dartele karakter van de Franstalige versie van Maurice Carême. Die is heel zijn leven een groot kind gebleven en dat spat je ook in het gezicht bij de lectuur. In ‘Trois enfants’ komt dat onder meer tot uiting in het speelse ‘le vert, le jaune, le bleu’. En hoe kun je zo puntgaaf omzetten in het Nederlands: ‘Lorsque je passe, ils me regardent/Ingénument sans prendre garde’. Letterlijk vertaald: ‘Als ik voorbij ga, kijken ze me aan /op een argeloze-achteloze wijze.’

Voor Frans-onkundigen is deze bloemlezing een hulpmiddel om kennis te maken met een groot dichter en de finesse van zijn taalgebruik te willen ontdekken; voor anderen, een aansporing om La lanterne magique ter hand te nemen en zich over te geven aan de betovering van de taal.

Voor de deftige Orde van den Prince heeft Leo Peeraer (Uitgeverij P) een mooie cover met omslagflap gekozen. Het boek heeft ook een voorwoord en korte biografische schets over Maurice Carême, telkens in het Nederlands en het Frans. Op internet en via de Stichting Maurice Carême is nog meer informatie te vinden evenals informatie over het mooie Museum in het voormalige woonhuis van de dichter in Anderlecht.
____

Maurice Carême (2020). De zomer ligt zoals een vrouw. Samengesteld en hertaald door Isabelle Bambust & Willy Martin. Uitgeverij P, 96 blz. € 21,50. ISBN 9789493138162

Geplaatst in Recensies.