Dorien De Vylder – Heerlijk afgebakend eindeloos

Ontologie van een zandkorrel

door Peter Vermaat




Zwart-goud was vanaf halverwege de jaren zeventig mijn favoriete combinatie: de Lotussen van Emerson Fittipaldi en Ronnie Peterson brachten hun sponsor John Player Special er prominent mee in beeld en misschien was onbewust de samenstelling-tegenstelling van weerkaatsing en absorptie in die tijd de zichtbare sensatie die hoorde bij de onzichtbare ontologische ervaring. Je leert immers pas nadenken wanneer je de juiste woorden gevonden hebt.

Het omslag van Dorien De Vylder’s bundel Heerlijk afgebakend eindeloos toont tegen een zwarte achtergrond het silhouet in goud van een achtbaan. En dan is er het openingsgedicht:

TL-LICHT

Tegelijk met de eerste scharen die het zand indringen, rukt ze zich los uit de oceaan.
Ze draagt dezelfde naam als ik.

Een man in blauwe overall ploegt de woestijn in strakke, evenwijdige banen.
Onder de felle zon stapt ze op hem af. Het scherm knettert. Hij ploegt een zwart vlak.

Ik neem nauwkeurig afmetingen op.
Vanuit het stekelige struikgewas spieden donkere glasogen.

[p. 2*]

*De pagina’s zijn niet genummerd

Dit is niet bepaald de Venus van Botticelli, die uit het schuim geboren wordt. Te oordelen naar de ‘scharen’ rukt een krab of kreeft zich los uit de greep van de oceaan en komt aan land, zoals een eerste kwastvinnige zijn weg naar het droge ooit moet hebben gevonden. Merkwaardig toch, dat je als mens steeds op zoek bent naar ‘het ogenblik dat’ als keerpunt, in de geest omlijst door tromgeroffel en aanzwellende strijkers, terwijl de werkelijkheid uit de aard der zaak niet meer dan terloops is, sterker nog: volledig bestaat uit een continuüm van onopmerkbare veranderingen. Het wezen met de scharen is een zij, met een naam bovendien. Maar een regel verder doet dat er al niet meer toe, daar is een man in een blauwe overall bezig met het ploegen van de woestijn ‘in strakke, evenwijdige banen’. Een boer? In ieder geval bezig, naar de mens gesproken, met een volkomen kansloze onderneming. De ‘zij’ stapt onder de felle zon op hem af. Dan knettert er een scherm en ploegt hij een zwart vlak. Beeldscherm? Zaten wij gezamenlijk naar een flatscreen te kijken? De ‘ik’, die volgens regel 2 dezelfde naam draagt als de ‘zij’ neemt ‘nauwkeurig afmetingen op’. Van het scherm? Van de man in blauwe overall? Van de evenwijdige banen? [Terzijde: hier zit een onduidelijkheid. Je kunt gras maaien in evenwijdige banen, je kunt evenwijdige banen zwemmen, maar van ploegen komen voren. Maar wellicht moet de blauwe overall van de man associëren met arbeiders en die zouden ‘banen’ kunnen hebben.] Van de woestijn? En dan de laatste regel over het ‘stekelige struikgewas’ en de ‘donkere glasogen’. Ik denk aan Gollum (Lord of the rings), maar het zouden evengoed gedimde koplampen van een auto kunnen zijn.

Het vervolg van de bundel bestaat uit een afwisseling van korte gedichten met korte regels, die meer hebben van gedachten (‘NACHT // De zon, en daaromheen / een nauw aansluitende / kubus.’ [p. 15]) en langere prozagedichten, die tussen een kwart en tweederde van een pagina beslaan, vaak rijk gevuld met Afrikaanse flora en fauna:

STROMING

Een tankwagen toetert mijn aandacht bijeen, op zijn roodgeverfde reservoir staat in
muntblauwe kapitalen het alomtegenwoordige WATER te lezen, ik vraag me af of de
tank gevuld is, pluk de verrekijker uit mijn mouw, spot het luisterende oor van een
luie leeuw dat boven het getaande gras uit prijkt, verderop zwaait een chauffeur met
autopech me vrolijk toe, flaneert een divaluipaard, bouwt een vorkstaartscharrelaar in
disco verenpak zijn vrijgezellenfeestje in de blootliggende wortels van een uitgerukte
kameeldoornboom, op zandheuveltjes poseren zeehonden of mensen met vetplantjes,
een man in blauwe overall leunt voorovergebogen op zijn spade, of nee, het is een
vuilnisbak, een ultramarijne ton waarboven een bol geblazen plastic zak wappert, dit
schrale land wordt doorlopend doorkliefd met een belofte van ontmoeting. Het water
kan ik net niet zien.

[p. 19*]

Deze taal wekt een stortvloed aan beelden op, die voor het oog van de lezer caleidoscopisch over elkaar heen tuimelen, maar nergens scherpte krijgen. Ik kan me voorstellen dat deze tekst het voor publiek wel aardig zal doen, bij ‘op zijn spade, of nee, het is een vuilnisbak’ zie je ze gniffelen en elkaar met de elleboog aanstoten en ook met het ‘divaluipaard’ of de ‘vorkstaartscharrelaar in disco verenpak’ krijg je de gemakkelijke lachers wel op je hand. Voor de lezer is dat andere koek. De hele bundel door gaat het nergens over en gaat het nergens heen. Na het lange slotgedicht ‘APOCALYPS’, waarin inderdaad de voorafgaande getekende wereld in pek en vlammen tenondergaat, krijg je de neiging om het flauwe zinnetje toe te voegen dat een kind nogal eens wil uitspreken na het vertellen van een wel heel onwaarschijnlijk verhaal: ‘En toen werd ik wakker.’

Met het bij elkaar harken van safari’s en savannes, gestoffeerd en ingericht als een tropische kijkdoos, schrijf je geen poëzie die tijdens lezing ertoe doet en die na afloop tot herlezen uitnodigt. Toegegeven, niet ieder mens heeft evenveel talent voor het vertellen van onderhoudende en sappige verhaaltjes, maar om iedereen die dat wel kan nu meteen van het epitheton dichter te voorzien zorgt op zijn minst voor inflatie van dat woord. Met dit type poëzie kan ik weinig. Het valt me op dat het voor het merendeel vanuit het Vlaamse tot ons komt. Hoewel het debuut van De Vylder veelbelovend was. Mogelijk zit daar iets in het grondwater of ontbreekt dat iets juist boven de rivieren, zodat er bij ons in het noorden een bepaald zintuig slechts rudimentair is ontwikkeld (aan de andere kant zit juist het ‘zwarte goud’ (namelijk olie) bij ons wel in de grond, maar bij onze zuiderburen niet). Mogelijk missen wij de uitspraak in het hoofd van de zachte g en de tot slagroom geklopte klinkers, zodat onze taalbeleving per definitie ontoereikend is voor het navoelen van de klanksensatie die de Vlaamse dichter van nature ter beschikking heeft. Wellicht is het mijn eigen preoccupatie met het onbetreden landschap, waarin ik toch zoek naar natuurlijke of desnoods overwoekerde paden. Desalniettemin weiger ik me neer te leggen bij de ontologie van de zandkorrel, die als ding zonder samenhang over ieder willekeurig oppervlak kan worden uitgestrooid en waaraan dan mogelijk evenmin andere eisen mogen worden gesteld dan het eenvoudigweg blijken van bestaan. Voor mij moet er nu eenmaal iets op het spel staan en daarvan blijkt in deze bundel vrij weinig.

Ten slotte de titel. Hoewel hij niet letterlijk in de bundel voorkomt, zou die kunnen voorkomen in een vorige versie van het gedicht ‘Tetris’. In plaats van waar nu ‘Zeldzaam / schitterend / solide’ staat, past vrij goed ‘Heerlijk / afgebakend / eindeloos’.

TETRIS

Als ze praat,
spuwt ze blokken,
topazen blokken uit haar mond.

Die zich ordenen in hun val
tot rivieren, bomen
dieren, mensen
hun verhalen.

Zeldzaam
schitterend
solide.

[p. 5]

De zoektocht naar de achtbaan is nog gaande.
____

Dorien De Vylder (2020). Heerlijk afgebakend eindeloos. Uitgeverij Vrijdag, 48 blz. € 17,50 ISBN 9789460018497

Geplaatst in Recensies.