Een dichtersdagboek uit 1624

door Hans Franse

12 januari 1624

‘ Den 12. Weder alsboven (doy ende open weder met weynig stofregen zijnde eenen zeer donckeren dag). Was niet uijt. Wert des avonts bezocht van Oom Adrian die bij mij oock op de portie bleef, las mij oock zijn letste Courant voor, ende hadden veelerlei discoursen te zamen, zoo van den ouden als nieuwen tijt. Dichte (in ¼ uijr terwijl zij bijt vier wat wermde) des Avonts de 7 Clacht (zijnde een sonnet) op het verlies van mijn beminde, beginnende als volgt: Juijgt Engelkens: maer sucht, o Nymphen van den Hage. Las des avonts tot laet in de nacht in Ooms Historia Semestralis continuatie – lest uytgegaene, onder ander de historie van den reijsende Prince van Engelant in Spaignen etc. als ook den treffeliycken Brief des verdrevenen enden vromen Cooning fredericks van Bohemen aan den Chur vorst in Saxen, met andere stucken meer, gaende ten ten 1 ½ uijr te bedde.’

Het is een goudmijn voor taal- en letterkundigen, dit dagboek van de in Keulen geboren Franse schoolmeester/ schrijfmeester/dichter David Beck (1594-1634) uit Den Haag.  In 1624 maakte hij elke dag een aantekening, die hij eerst in klad, later in het net schreef. Ik had nooit van hem gehoord. Wel van zijn neef, een schilder met dezelfde naam, zoon van een Frans schoolmeester in Rotterdam en Delft, die internationale bekendheid verwierf als hofschilder in Engeland, Frankrijk en Zweden.
Let niet op Becks inconsistente spelling. Er was nog geen standaardspelling. Mensen als Pontus de Heuiter en de taalkundige Becanus, die vond dat Adam en Eva in het paradijs Nederlands moeten hebben gesproken – het is ‘sulck ene schoene taele’- werkten eraan, evenals P.C. Hooft die in een brief aan zijn in Leiden studerende zoon wijst op fouten. ‘Gij doolt dikwijls in ’t spellen van uw Nederduits’, schrijft de drost op ‘den 27en in Wijnmaand 1646’.’Dit vermaan ik, opdat gij ook benaarstigt uwe moederlijke taal wel te schrijven en te spreken’.
Wat mij interesseert is hoe dichters tot hun gedichten kwamen. Was er inspiratie? Was er een aanleiding? Schreven ze het in één keer? Deden ze er lang over? Dat te vinden bij middeleeuwse en zestiende- en zeventiende-eeuwse dichters fascineert me.
Door David Becks aantekeningen over een heel jaar kunnen we zijn dagindeling, werk en ontspanning volgen. Het was een godsdienstig man, die een school had, waarin hij schrijfles gaf. Hij schreef regelmatig ABC- en schrijfgedichten, zoals hij het noemde, voor schoolgebruik. Hij schrijft de kwitanties voor het schoolgeld uit op ‘sijn comptoir’.
Het is een fascinerend jaar. Je leert Becks familie kennen, zijn moeder, wat hij eet, bij wie hij gaat eten, zijn dagelijks kerkbezoek, liefst twee keer per dag bij verschillende predikanten in verschillende kerken. Daarna leest hij vaak thuis nog in de Franse bijbel, speelt violon en gaat niet naar bed zonder één of twee psalmen te zingen. Hij geeft ook altijd de bedtijd aan. Hij gaat naar Delft, naar de kermis, lopend, met de schuit, of met de wagen; er komt visite uit Arnhem, hij schrijft over zijn school, zijn kinderen, hij schrijft regelmatig de kwitanties uit. Hij gaat op ‘portie’ bij vrienden of eet ‘een visken’, maakt een ‘praetgien’, wandelt veel.

 

 

In 1623 had de dichter zijn vrouw in het kraambed verloren. In het eerste deel van het dagboek vertelt Beck hoe hij bijna elke avond werkt aan een soort poëtisch monument voor zijn vrouw. Hij werkt daar regelmatig en consequent aan. Soms, zoals op 12 januari 1624, schrijft hij in een kwartier een sonnet, waarvan hij de beginregels weergeeft. Het kind was ondergebracht bij een min die hij maandelijks betaalde.
Ik kan me niet voorstellen dat het een romantische strijd om het woord geweest is. Ik denk veeleer dat Beck de mode van die tijd volgde. Sonnetten waren in de mode. Zijn gedichten volgen de reglementen van de toenmalige poëtica. Zijn beelden zijn bijna pastoraal met veel klassieke verwijzingen, die bewijzen hoe intellectueel hij is. Dat klopt wel: hij leest ook veel Franse boeken.
Is hij wel echt verdrietig? Ja, dat was hij: lijdend verdriet vind je eerder in het dagboek, dan in zijn poëzie. Als je het sonnet leest waarvan op 12 januari sprake is lijkt het haast frivool. Hij noemt het in de definitieve versie ‘Clinckdicht’, wat weer wijst op aansluiten bij de mode. Ik citeer wat regels vol klassiek geweld:

 

Juijcht Engelkens maer sucht o Nymphen van den Hage!
Sucht jonge Haechskens nu! Sucht linden-rijck Voor-hout!
Sucht lievers! Vijverberch! Sucht boomen in dit wout!
Sucht soete vogelkens! Dat Pan van rouw gewage!
Treurt herderen met mij, die mijn verlies beklaghe…

Weent nu in uw prieel o Musen drijmael drij
Weent gij Apollon ook! Minerve weent met mij!
Weent dichters, hemel-volk, die goddelijk komt weenen!

Orlande die is doot, haar lijk rust in dit graf
De hemel houdt haer siel
en’laet (voor alles troost) ons niet an troostloos stenen.

 

Hij schrijft onder zijn vers: Eijnde van Daphnis Clachten.

Er zijn slechts weinig grote dichters die een toon van de tederheid aanslaan die ons nu nog raakt: Vondel (evenals Beck in Keulen geboren), Hooft, misschien Huijgens, Luijcken of van Foquenbrock. Er zijn überhaupt weinig grote dichters, maar het is plezierig een mindere God zo precies te kunnen volgen.

 

afbeeldingen Hans Franse

 

Geplaatst in Column.