Klassieker 243: P.C. Boutens – Morgenlijk verwachten

door Simon Mulder

Meander Klassieker 243

Het was op 20 februari 150 jaar geleden dat P.C. Boutens werd geboren. Reden voor Simon Mulder om deze dichter terug in de spotlights te plaatsen. Niet enkel met drie podcasts door het Feest der Poëzie én een nieuwe bloemlezing bij Uitgeverij HetMoet, maar ook met een bespreking van een van zijn gedichten voor Meander Klassiekers: ‘Morgenlijk verwachten’.


Morgenlijk verwachten


De dag staat als een maal bereid.
Ik proef in ‘t zuivre morgenlicht
Als een nog woordeloos gedicht
Uw naë afwezigheid.

De verten zijn al luw van u,
Waar zon de laatste neevlen reeft,
Gij zijt al in het windbegin
Dat door de teêre toppen beeft…

Breng mij mijn deel van ‘t koel gespeel
Dat tintelwater achter wilgen doet,
Van ‘t luchtazuur dat als blauw vuur
Door dichte linden gloedt.




P.C Boutens (1870 – 1943)
Uit: Gegeven keur (1942)
Uitgeverij: Oceanus
Oorspronkelijk zonder titel in: Praeludiën (1902)
Uitgeverij: Maison Blok

P. C. (Pieter Cornelis) Boutens (1870-1943) groeide op in Middelburg, in een streng-protestants gezin. Op het Middelburgs gymnasium munt hij uit in Grieks en Latijn en vertaalt zelfs Plato’s Symposium, dat een levensveranderende tekst voor hem zal zijn. Tegen de wil van zijn vader in, die eist dat hij theologie gaat studeren, gaat hij klassieke talen studeren in Utrecht. Hij verdiept zich verder in de filosofie van Plato en krijgt een baan als leraar klassieke talen op de protestantse jongenskostschool Noorthey in Voorschoten. Tijdens zijn leraarschap brengt hij zijn eerste twee dichtbundels uit: ‘Verzen’ in 1898 en ‘Praeludiën’ uit 1902. Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Morgenlijk verwachten.’ Het is, hoewel kort, een model voor de poëtica van Boutens.

Boutens wordt nog weleens gezien, ook in zijn eigen tijd al, als een moeilijke, maar in vorm en inhoud uitmuntende dichter. Hij wordt soms ondergebracht bij het symbolisme, maar heeft eigenlijk zijn eigen, onvergelijkbare stijl uitgevonden. Vaak schrijft hij in lange, zorgvuldig samengestelde zinnen en altijd combineert hij een meesterlijke beheersing van ritme en rijm met een indrukwekkende woordenschat, vol verwijzingen naar de Klassieken en de Statenbijbel. Opvallend is zijn affiniteit met de filosofie van Plato en zijn grote liefde voor de (Zeeuwse) natuur.

De openingsregel, ‘de dag staat als een maal bereid’ bevat direct al een heel mooie beeldspraak. De dag is klaar om van te genieten, zoals een maaltijd die wordt geserveerd, en het gedicht maakt daarmee gebruik van de topos van de dageraad: een klassieke wijze om een gedicht mee te beginnen. In r. 2/3 vinden we een voor de cultuur van eind 19de eeuw typische stijlfiguur, de synesthesie: verschillende zintuiglijke ervaringen lopen door elkaar; tijdgenoten als de componisten Wagner, Liszt en Skrjabin beschreven muziek in termen van kleuren. In r. 2/3 vermengen het zicht, het gehoor en de smaakzin zich wanneer de ik-figuur in het licht een gedicht proeft.

Het ‘nog woordeloos gedicht’ uit r. 3 bevat de verwachting van een vervulling van een belangrijke wens: het kunnen verwoorden van het onzegbare. Naar voorbeeld van Plato geloofde Boutens dat de menselijke ziel boven het aardse leven uit neigt, naar een hogere wereld. De dood is slechts het verlaten van het aardse lichaam, een bevrijding van de ziel die thuishoort in de Ideeënwereld, of in christelijke termen: in de hemel. Dit hogere dat Boutens zoekt, de hemelse waarheid, is niet in woorden te vatten, maar alleen bij benadering te omschrijven. De wereld die wij voor ons zien, is volgens Plato maar schijn, en de taal maar een beperkt middel om tot haar te komen. Het ultieme gedicht zal in het dagelijks leven woordeloos blijven, maar het woordje nog geeft hoop op verlossing in een aanraking door de goddelijke waarheid. Deze verwachting loop door in de volgende regel: ‘de naë (nabije) afwezigheid’ uit r. 4 is een oxymoron van Renaissancistische proporties en had zo kunnen opduiken bij Petrarca (bij wie de liefde een ‘bevriezend vuur’ is), Shakespeare of Hooft. ‘So close and yet so far’.

Heel charmant vind ik ook de mysterieuze afwezige die opduikt in r. 4: ‘ú’ en r. 5. ‘Gij’; degene die blijkbaar dit verwachten geldt, en die wordt aangekondigd door de gehele natuur. Vanuit de verten kondigt de komst van deze ‘gij’ zich aan door zacht weer. De zon reeft de ochtendnevels als waren ze zeilen, doet ze verdwijnen in het licht. De wind begint te waaien met het bericht van deze komst, en doet de boomtoppen zacht beven – met een soort enallage: ‘het windbegin / Dat door de tere toppen beeft…’ – Boutens laat de wind beven in plaats van de boomtoppen.

Vanwaar plotseling een ‘gij’? Wellicht moeten we hiervoor weer bij Plato te rade. In de dialoog Het Symposium legt Plato uit dat we tot besef van de hogere waarheid kunnen komen door aanraking van goddelijke inspiratie. Ons aangeboren verlangen naar schoonheid is daartoe de sleutel. Het aardse verlangen richt zich op de schoonheid van het lichaam, en het voortbrengen van kinderen bij het object van dit verlangen. Maar het goddelijk verlangen richt zich op de schoonheid, en het voortbrengen van wijsheid samen met het object van dit verlangen. Degene die als mooi wordt gezien, is het medium waardoor men tot deze goddelijke wijsheid kan opstijgen. De ‘Gij’ zou hier gezien kunnen worden als een Platoonse geliefde in aantocht.

In de laatste strofe bereikt het gedicht zijn climax, er wordt met enige pathos een wens geuit, hetzij in het algemeen, hetzij aan de mysterieuze gij gericht. ‘Breng mij mijn deel van ’t koel gespeel’ – dat gespeel kan natuurgenot zijn, of liefdesgenot, of het genot van de hemelse kennis. Het ‘koel gespeel’ wordt geïllustreerd door twee voorbeelden: allereerst wat ‘tintelwater achter wilgen doet’. Het glinsteren ofwel synesthetisch-tactiel verwoord tintelen van het water in een sloot, met daarnaast het bekende beeld van een rij knotwilgen – een typisch Zeeuws natuurgezicht. Ten tweede is er ‘’t luchtazuur dat als blauw vuur / Door dichte linden gloedt’, het stralen van de blauwe hemel door de lindebomen – bomen die ook in Zeeland vaak werden aangeplant op erven voor schaduw en koeling van naastgelegen gebouwen. Behalve deze concrete betekenis kunnen deze beelden bij Boutens ook een abstractere hebben: onder de glinstering van het water, in de door de lindebomen van het zicht afgeschermde lucht, bevindt zich het gezochte Platoonse geheim, onzichtbaar.

De twee opvallende samenstellingen die we tegenkomen in deze laatste strofe, ‘tintelwater’ (r. 10) en ‘luchtazuur’ (r. 11), doen denken aan de lentegedichten vol verwachting en natuurbeschrijving van Herman Gorter, met name die in zijn bundel Verzen (1890), waarin over elkaar vallende neologismen van diezelfde aard elkaar opvolgen:
‘De lente komt van ver, ik hoor hem komen / en de boomen hooren, de hooge trilboomen, / en de hooge luchten, de hemelluchten,/de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten, / trilluchten.’
En elders:
‘en gij onz’ droefenis / val toch in tintellichttranen / als bleeke vallende manen / stil in de lichternis.’

Praeludiën is Boutens’ tweede bundel, en de invloed van Gorter is nog steeds sterk merkbaar. Ook het rijmschema en het metrum dat niet helemaal netjes op elkaar aansluit zijn invloeden van Gorter. (1)

Net als Gorter, Leopold of Van de Woestijne schreef Boutens zijn leven lang gedichten die je als liedjes kunt beschouwen, soms zelfs expliciet ‘Liedje’ getiteld. Dat laatste is hier niet het geval, maar dit gedicht laat zich bijzonder goed toonzetten. Boutens’ rijke rijm – soms tweemaal in één regel: ‘Gij zijt al in het windbegin’ (r. 7), ‘Breng mij mijn deel van ‘t koel gespeel’ (r. 9) en ‘van ’t luchtazuur / dat als blauw vuur’ (r. 11), is overvloedig, maar komt natuurlijk over: het gaat op in de compositie en stoort niet. Verder zien we ook veel assonantie en alliteratie, al even natuurlijk opgenomen in de loop van het gedicht: bijvoorbeeld een grootsheid weergevende opeenvolging van a’s in r. 1: ‘De dag staat als een maal bereid.’ En tandklanken (d’s en t’s) in r. 8 ‘Dat door de teêre toppen beeft…’ Al deze kenmerken maken het gedicht klankrijk en zangerig. Het net wat afwijkende metrum zorgt ervoor dat er geen voorspelbaar deuntje uit zal komen en de klank- en beeldrijke tekst trekt de luisteraar direct omhoog, of het nu voorgedragen of gezongen wordt. En dat is wat Boutens in zijn poëzie wilde bereiken: een wijsgerige exaltatie van eeuwige wijsheid en onverstoorbare schoonheid. Precies wat hij in dit gedicht, als in een kortstondig visioen, zo nabij voelde.

 

‘Morgenlijk verwachten’ – Simon Mulder
Copyright: Feest der Poëzie Podcast afl. Glanzende geheimenis I – De glans van P. C. Boutens

(1)
Meer hierover in mijn artikel over Gorter in Awater 2017/3 en in Klassieker 221: Herman Gorter – De lente, ik sta midden in haar.

__________

Simon Mulder is dichter, voordrachtskunstenaar, docent klassieke talen en oprichter van Stichting Feest der Poëzie. Voor de viering van het 150ste geboortejaar van Boutens door het Feest der Poëzie tijdens het Art Nouveau Festijn in Den Haag maakte hij een driedelige podcast en een nieuwe bloemlezing uit zijn werk voor Uitgeverij HetMoet. ‘Morgenlijk verwachten’ staat in de bloemlezing, wordt in de podcast voorgedragen en maar liefst twee keer op muziek gebracht: door een klassiek liedduo en door een jazzduo. Alle info op de website van Feest der Poëzie.

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Wil je reageren op deze bespreking?

Stuur je reactie naar: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Wil je zelf een bijdrage leveren?

Nieuwe bijdragen zijn van harte welkom.
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.