Maud Vanhauwaert – Het stad in mij

Een moot Vanhauwaert

door Marc Bruynseraede




Stadsdichteres Maud Vanhauwaert (2018-2019) heeft een turf van 360 pagina’s dik laten verschijnen: de oogst van haar twee jaren dichterlijke activiteit in en om de stad Antwerpen, gesteund door liefhebbers, bewonderaars en beschermheren en geholpen door haar ongestelpte enthousiasme en creativiteit.

Het boek zonder kaft is typografisch en vormtechnisch een hoogstandje geworden. Het had in maart gepresenteerd moeten worden, maar daar stak het coronavirus een stokje voor. Uiteindelijk verscheen het in stilte in de maand mei.

‘Stilte’ is niet het juiste woord. In de Zeno-bijlage van de krant De Morgen van zaterdag 30 mei werd de uitgave uitgebazuind met vijf pagina’s. Het artikel was nog niet goed koud of daar verscheen De Poëziekrant nr 4 – juli/augustus al met een bijdrage van vier pagina’s. De Zondagskrant van 19 juli mocht daar nog een toetertje bovenop gooien. Ja, Maud Vanhauwaert ligt goed in de markt. Het boek is apart en de dichteres ook. En dat mag zij graag geweten hebben.

Voor de Poëzieweek van 2021 schrijft zij, samen met Rodaan Al Galidi, het Poëziegeschenk. Dat doe je dan omdat je hoog scoort in de pikorde van het dichtend volk.

Het stad in mij is een soort van IKEA-cataloog geworden, vol dichterlijke strapatsen in alle varianten van ‘onnozeleteiten’ (zoals de dichteres ze zelf beschrijft) tot aandoenlijk openhartige meisjes-bekentenissen (‘onbevlekte ontvangenis’ dacht de jonge Maud moet zoiets zijn als ‘eten zonder smossen’). En, ja, ook originele vondsten en verzen, soms verbazend knap: ‘Want het is in onze sprakeloosheid dat wij elkaar het best verstaan’.

Doorheen alle poëtische initiatieven zien we dat we hier met een dichteres te maken hebben die vele registers bespeelt en waarschijnlijk de meest inventieve is geweest van alle Antwerpse stadsdichters tot nog toe. Het gedicht ‘Anderzijds’ dat zij publiceert in het hoofdstuk ‘Poëzie die ik voor niemand schreef’ laat zien wat voor een kaliber Maud Vanhauwaert hanteert:

Anderzijds (gebaseerd op mensen die in discussies
altijd argumenten aanhalen die niets met het onderwerp
te maken hebben)

– Anderzijds mogen we het belang van navelstaren niet
onderschatten.
– Ja, zeer zeker, maar anderzijds is badmintonnen toch
ook heel plezant.
– Ongetwijfeld, maar anderzijds kan je de inbrenghuls van
   een tampon moeilijk met wiet volstoppen.
– Daar heb je een punt, mijn beste, maar anderzijds mogen
we de Joden niet vergeten.
(…)

En zo gaat het maar door tot: ‘- Ik zwijg al’.

Ondervraagd over haar manier van aanpak bevestigt Vanhauwaert dat zij van het speelse, het experimentele houdt; dat ze graag naar aparte vormen van dichterlijke expressie zoekt. Ik wil daar wel in meegaan, al vraag ik mij soms af waarom gedichten zo nodig in een koeienstal, op de bodem van een droogdok of op kerktorens gedebiteerd moeten worden. Mogelijk was zij door vorige stadsdichters daartoe geïnspireerd. Tom Lanoye liet de Boerentoren al zijn liefde verklaren aan de O.L.Vrouwekathedraal. En Peter Holvoet-Hanssen heeft een bijdrage geleverd om het stormtij in Antwerpen te keren door een gedicht te plaatsen over de volle lengte van de waterkeermuur langs de kaden. Je vraagt je wel eens af: wat is er mis met een gewone dichtbundel?
Dat de dichteres van het speelse houdt en gedichten plaatst op windmolentjes, parkeermeters, fietsplaatjes, containers en politiecombis, tot daar aan toe. Het mag verrassend, verfrissend of idioot zijn. Maar soms doet dat nadenken en andere momenten denk je: ‘Dat mocht toch wel wat meer zijn.’ Het is wat te ‘gewoontjes’; het had wat beter uitgewerkt kunnen worden.

Zelf zegt zij daar het volgende over: ‘Ik betrapte mezelf erop dat mijn keuze voor een opvallende vorm soms een manier is om de inhoud te verhullen. Dat de grote hoeveelheid aandacht die ik soms geef aan de vorm niet alleen te maken heeft met mijn hang naar formalisme en conceptuele kunst, maar ook met schaamte voor de inhoud. Of anders gezegd: dat ik soms – grotendeels onbewust – denk: misschien is de tekst zelf literair gezien niet sterk genoeg, maar misschien is dat niet zo erg, want ach, de originele vorm compenseert.’

Het woordje ‘Poëzie’ kleven op een politiecombi mag leuk zijn, écht origineel zou ik het gevonden hebben als een politieman in uniform een gedicht voorgedragen zou hebben, om het anachronisme tussen strenge reglementen en het ongecontroleerde van poëzie duidelijk te maken. Een vorm van knuppellyriek. Een cyclus onder de titel ‘Discipelen van de discipline’ met doorslaande argumenten en met een commissaris die ‘geboeid’ luistert. Dat ware nog eens ‘speels’ geweest.

Maud Vanhauwaert, die van Babeluttenland (Veurne) en Flagellantengem (de boeteprocessie) afkomstig is, heeft toch enkele interessante initiatieven ontplooid. Ik denk aan het creëren van witruimte. De dames in een witte maillot hoefden voor mijn part daarvoor niet over De Meir te paraderen met witte, symbolisch nietszeggende borden.

Een ander opmerkelijk concept was haar ‘You’ll Never Guess Who’ poëtisch spel – een variant op het spel ‘Wie is het’ – dat de vinger legt op de genderproblematiek in onze maatschappij. Een origineel idee, gelardeerd met getuigenissen van transseksuelen en van anderen over hun genderidentiteit.

Nog een geslaagd iets was dat van de taalvariëteit, waarin de aandacht ging naar de integratie van migranten, door het aanleren van het Nederlands: ‘Ik, de taal, spreek nog niet zo goed’.

Daarbij aansluitend was ook de ‘Toren van Babel’ een concrete vormgeving van de meertaligheid en meervoudige verstaanbaarheid, als uitdrukking van hoe je iets in een vreemde taal kan omzetten en het een heel andere betekenis krijgt. Zo krijg je ook een beeld van het samenleven van vele exotische culturen.

Inventief was het concept om mensen te ondervragen over hun ‘uitzicht’ en ‘vooruitzicht’. Het koppelen van een kijk vanuit hun woning op de omgeving, aan het filosoferen over de toekomstige verwachtingen vond ik een geslaagd initiatief, om te peilen naar wat leeft in het binnenste van de burger.

Vanuit het Middelheimmuseum werd aan de mouw van de stadsdichteres getrokken om een Monument voor de Vrouw op te richten. Zo gevraagd, zo gedaan. Het werd een mooi gedicht dat eindigt met een raadselachtig slotvers:

laat het monument het moment
om zich voortdurend te ontplooien
om wanneer ze maar wil
aan haar maker te ontkomen

Maker? Maker?! Wie mag deze producent dan zijn? De God van de Babelutten ?

Het is duidelijk dat Maud Vanhauwaert zichzelf meer wil bevrijden dan haar gedicht over de bevrijding van Antwerpen bijvoorbeeld aangeeft. Bevrijd van de Jodensterren. Bevrijd van schuldgevoelens die de Veurnese flagellanten in stand houden (want schuldgevoelens moeten gevoed en onderhouden worden). Bevrijd van havenschepen waar ze wél/niet een gedicht had moeten/willen over schrijven (gelukkig is Antwerpen sindsdien bevrijd van deze havenschepen). Bevrijd van de gedachte: ‘Heb ik het wel/niet goed gedaan?’

Het stad in mij is een mooi bladerboek geworden, met soms leuke, soms onverwachte en, af en toe, een pakkend poëtisch moment, zoals het eerste gedicht van de cyclus ‘Containerbegrip’ aantoont. Op pagina 195 zegt Maud: ‘Eigenlijk heb ik mij nooit een Antwerpenaar gevoeld’. Maar in dit vreemd-zijn heeft zij, met dit melancholisch containergedicht, heel treffend de havenstad Antwerpen neergezet:

Ver van huis zijn wij gehavend

Ver van huis zijn wij gehavend

de lantaarnpalen discreet gebogen
over wie gebogen door de straten

’s avonds lichten de schermpjes
van iedereen die naar huis belt op

in een handpalm een moeder
in een veel te lage resolutie

havenkranen trillend in het water
een flikkerende letter in neonreclame

de stad strekt haar tentakels uit
in een stad van aangespoelden

vormen wij het Collectief Gestrand

____

Maud Vanhauwaert (2020) Het stad in mij. Uitgeverij Das Mag, 360 blz. € 37,50 ISBN 9789493168091

Geplaatst in Recensies.