Twee hoofdletters, een knipoog

Jan M. Meier is vooral actief als dichter. Hij was o.m. redacteur bij het literaire tijdschrift Deus ex Machina en heeft recent een aantal bundels gepubliceerd bij uitgeverij P: Engelenspoor (2017), Tekenen (2018), en Grote Gevoelens (2020).
Truus Roeygens sprak met Jan M. Meier over Grote Gevoelens.

 

foto Eddy Bonte


Ik stelde mij een interviewer voor als een visser met een net over zijn schouder. Voor dit allereerste interview voor Meander had ik –op doorreis naar mijn moeder in Oost-Vlaanderen– een bescheiden plooihengeltje in mijn koffer gestopt. Er was de intentie om het voorzichtig open te klappen:

Bij Piet Mondriaan is het vierkant het leidmotief. Is bij Jan Meier een driehoeksverhouding het leidmotief?
Ik heb een hekel aan literaire kritiek die zich bedient van enige vorm van biografische reductie. In mijn literatuurvisie staat de tekst centraal. Niet het leven, maar de tekst is literair relevant. Uiteraard begrijp ik de nieuwsgierigheid van een lezer naar het leven achter de tekst. De lezer is zelf vrij om wat dan ook te bedenken bij een tekst, maar hij kan wat hij denkt niet zomaar in de schoenen van de auteur schuiven. Zoals een theatertekst bij elke opvoering op een enigszins andere manier tot leven komt, is ook geen lectuur van een vers gelijk, zelfs niet bij de schrijver die zijn werk na een tijd opnieuw leest.

Moet je niet altijd iets in de strijd gooien als je juist begrepen wilt worden?
Er is een man en er is een vrouw. Er is vooral de liefde voor het woord die ik bereid ben te delen. En er is het weten in afwezigheid van (het bewuste) weten.

 

weten

waar je bent weet ik niet
je bent in een beschrijving
in oude onbetrouwbare woorden

in wat ik huis noem
en groene verte en droombos
en nooit heb gezien

waar je bent weet ik niet
ik weet je afwezig
ik weet je liggen in heet water
ik weet je vaardig de vloer vegen
ik weet je in een koud bed
ik weet je weer alleen slapend op een sofa
ik weet je in een jurk die er is
om in één beweging te worden afgeschud
ik weet je in een kamer van woorden
die je één voor één uitademt en verdampt
ik weet dat ik je niets weet

Je liet mij voor dit interview weten dat je ongelukkig was met de recensie van Grote Gevoelens die een tijdje geleden in Meander verscheen.
Om te beginnen was de keuze van de gedichten niet representatief. Twee van de drie geciteerde gedichten kwamen uit de eerste en kortste cyclus van vier gedichten. Voorts hing de recensent het gros van zijn bespreking op aan de eerste vijf gedichten en bracht nauwelijks enige aandacht op voor de ruime helft van de bundel, wat ik vind getuigen van een gebrekkige en/of onaandachtige lectuur. Een recensent heeft uiteraard het volste recht om kritiek te uiten, zeker als die met stevige argumenten wordt gestaafd, maar nagenoeg de hele bespreking ophangen aan enkele (in zijn ogen storende) alliteraties, lijkt me zacht uitgedrukt zwak.

Het grote gevoel dat ik zelf overhoud na het lezen van je bundel is dat Grote Gevoelens de bundel is van iemand wiens ziel bedroefd is, tot stervens toe. Je vraagt in je gedichten om met je te waken…
Mijn vader is gestorven toen ik achttien was. Ik verloor mijn zoon. Hij was nog zeer jong. Aan dood en droefenis ontsnapt geen mens. Hoe waar dat ook is, toch heeft de titel van de bundel voor mezelf (net als enkele versregels) ook een ironische ondertoon. Daarom staat de titel ook met twee hoofdletters!
Overigens schetst je vraag een onvolledig beeld. Het laatste deel heet niet voor niets ‘kantelingen’. Daarin kantelt het beeld in de positieve richting, al verschijnt in het laatste vers opnieuw de dreiging van de dood aan de horizon.

 

figurant

niets is tot onderpand gebleven
niets van het babel van beelden nog intact
geen spoor van het stilzwijgende pact

je hebt me de woorden uit de mond gelikt
je hebt me je dromen voor waarheid verteld
je hebt je helemaal gegeven, even

en toen ik was verkocht, vertrok je

hoe blijf ik over
een steen met je beeld als dwarse barst
een stil water door je woekerwier versmacht

nu woon ik tussen jouw en mijn woorden
alleen met de geur van potlood en
de scherpe haken van herinnering

figurant in eigen leven

Daarnaast wordt de lezer in Grote Gevoelens geconfronteerd met Grote Eenzaamheid: ik weet je alleen slapen op een sofa (in ‘weten’); nu woon ik alleen met de geur van potlood en de scherpe haken van herinnering (in ‘figurant); liefde, die lieflijke ziekte, een zinledige want eenzaam uitgelepelde leugen (in ‘verte’)… Kan de lezer hieruit afleiden dat jij eenzaamheid tegennatuurlijk vindt?
Er is veel eenzaamheid. Ook in relaties. Ik was tijdens een periode in mijn leven eenzaam. Ik woonde toen in Oostende. Dan zoek ik geen muur op om tegen te huilen, dan loop ik liever langs weidse zandstranden en observeer ik de zee.
Ik heb iets tegen de term ‘tegennatuurlijk’. Die vertrekt vanuit het naïeve geloof dat de natuur ‘goed’ zou zijn. Natuur is een breed spectrum en principieel kan een natuurlijk verschijnsel onmogelijk ‘tegennatuurlijk’ zijn. Goed en kwaad zijn ingebakken in de ‘Natuur’.

Je kan als lezer niet om het Grote Verdriet in de bundel heen. Het beklijvende gedicht ‘figurant’ met regels als ‘hoe blijf ik over een steen met je beeld als dwarse barst een stil water door je woekerwier versmacht’ voerde mij onmiddellijk naar het beroemde Middelnederlandse Egidiuslied waarin Jan Moritoen treurt om een gestorven boezemvriend. Wanneer de lezer Groot geluk tegenkomt in de bundel, dan blijkt het gedicht een droom te beschrijven: en wij de handen vol vruchten staan achter hen wezenloos gelukkig te wezen (in ‘droomdroom’).
Misschien zegt dat iets over het leven, het verlangen is veelal groter en intenser dan enige realiteit. Helaas geldt dat niet voor bijvoorbeeld geweld, daar lijkt de realiteit vaak sterker dan het menselijke voorstellingsvermogen.

Grote Gevoelens creëert grote verwachtingen bij de lezer. Op welk ogenblik van het schrijfproces kiest een dichter voor de titel Grote Gevoelens?
Een bundel is een bouwwerk, geen eenvoudige bloemlezing van verzen. De titel komt in tweede instantie als er al een pakket verzen zijn. Wat de verwachtingen van de lezer inhouden ligt sowieso buiten het bereik van een schrijver. Die kan alleen hopen dat hij op enige manier lezers kan verrassen, kan raken.

Tijdens het lezen van Grote Gevoelens kwamen spontaan verzen van andere dichters bij mij op. Bij het gedicht ‘verknipt’ bijvoorbeeld –overigens mijn favoriet in Grote Gevoelens – moest ik denken aan ‘Nazomer’ van Lucebert: ik heb je op het hemelse blauw gelegd dat nergens bestaat dan in dit beeld slapend onder een regen van sterrenpapier t.o. bij Lucebert: ik heb in het gras mijn wapens gelegd en mijn wapens gaan geuren als gras ik heb in het gras mijn lichaam gelegd mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet dit liggen dit nietige luchtige liggen…
Ik merk dat verschillende lezers andere associaties hebben en dat lijkt me heel logisch. Zelf had ik die regels van Lucebert helemaal niet voor ogen bij het schrijven van enig gedicht in de bundel. Misschien heeft dat te maken met de lage kwaliteit van mijn geheugen. Als kind had ik al een hekel om te merken dat leraren soms gestoord waren omdat ik de dingen niet in hun woorden, hun volgorde, etc. kon reproduceren. Het rare is dat als ik wel af en toe een echo/knipoog naar een auteur inbouw, dat zelden wordt opgemerkt.

Het meest opvallende gedicht in Grote Gevoelens is voor mij ‘persoonswisseling’ waarin je het geslacht van een vrouw overneemt. Dit gedicht, dat ik –niet zonder jaloezie om de regels: bewogen door de beweging van mijn borsten de hartenklop in mijn heupen- als één brok liefde voor de vrouw heb ervaren, kan toch niet uitsluitend uit nieuwsgierigheid ontstaan?
Nee, niet uit nieuwsgierigheid. Het kan een voorbeeld zijn van inlevingsvermogen, een moment waarop een onbewuste connectie goed heeft gewerkt. Uiteindelijk worden wij allemaal in rollen geduwd, onafhankelijk van factoren die veel genuanceerder zijn. In elke vrouw schuilt een stukje man en in elke man schuilt een stukje vrouw. Ik heb de kans genomen om mijn vrouwelijke kant te laten zien.

 

persoonswisseling

ik droomde dat ik jou was
dat ik vrouw was
hoe ik mezelf in mezelf zag
dringen, onderging en stuurde gelijk

meer van alle taal ontdaan
kan een mens (m/vr) niet zijn
matelozer van overmoed evenmin

zo vol dat ik wel moet over-
stromen een vloed vruchtwater
blijft breken opnieuw en
opnieuw in eigen vocht gesmoord

bewogen door de beweging van mijn borsten
de hartenklop in mijn heupen open-
barend: kat die jongen werpt
vis die schichtig kuit schiet
pad die een eiersnoer paternostert

uitgespreid in mijn geliefde spiegel
boot op je zee, zee in jou ingescheept
uitdijend, een deegbal dun uitgerold

zo lig ik onder mezelf te dromen
van jouw eendere mijn andere zelf

en zie de aarde bedekt de hemel
Geplaatst in Interviews.