Sandra Roobaert

Sandra Roobaert (1968) studeerde in de loop van een paar decennia vertaalkunde/tolken, sociaal werk en muziek en legde een overeenkomstig grillig werkparcours af. Schrijven hoorde er ook altijd bij en staat sinds enkele jaren meer op de voorgrond. Zij publiceerde eerder op ‘Het gezeefde gedicht’ en in ‘Poëziekrant’ en volgt het eerste jaar van de opleiding poëzie aan de Schrijversacademie in Antwerpen.

 

foto Nora Van Hummelen

 

 

Randgevallen

Bakstenen in een tuin. Het heeft geen belang of je ze daar hebt gelegd of ze toevallig uit het raam hebt gegooid tijdens een ruzie.
Paardenbloemen zullen zich er onderuit wurmen, hondsdraf zal er groene festoenen omheen haken. Het is een kwestie van tijd.

*

Vrouwenlichaam op een bed, een levende komma van bovenaf bekeken. Huidwit onderscheidt zich van lakenwit.
Je zit klem ter hoogte van de plafondlamp. Alleen ochtendlicht kan haar in beweging brengen.

*

Jonathan die Isabella werd. Wanneer precies was hij dat ene moment beslist nog Jonathan, was zij de volgende seconde onomstotelijk Isabella?
Was het iets in de haarlijn, de neusvleugels, de kin, het kaakbeen? Herinner het je, alsjeblieft.

*

De kleinste scherfjes van de gevallen kruik. Als je ze allemaal weer in elkaar past, je genoeg handen aan je lijf hebt, dozijnen vingers
blijft alles op z’n plek zodat niemand de scheuren ziet. Het moet te doen zijn.

*

Het moment waarop je aan iemands bed zit. Te drinken geeft, een voorhoofd wist. Naden wrijven vertrouwd langs elkaar heen.
Alleen, dit moment kan niet opnieuw worden afgespeeld. Uiteindelijk zal jij diegene zijn die neerligt.
Restfractie

De eerste weken breng ik door met kiertjes opsporen.
Mezelf alsnog toegang proberen verlenen terwijl jouw vlees
zich verschanst in een harnas, je hoofd dichtklapt onder een helm.
Kloppen, tikken, het vraatverlangen van de snuitkever.
Weet je wel hoeveel ondersoorten er daarvan zijn?
Niet één raakt door metaal.
Dan maar de blinde ramkoers van de kleuter.
Ik vind dat ik hier doorheen moet dus zal ik hier doorheen.
Harnassen spreken niet, harnassen beleggen geen ontmoeting.

Na maanden daagt het, een ochtend met bochtkoffie, motregen en woede.
Ik vouw bittere volzinnen op en krabbel je adres op literaire bombrieven.
Duivelinnenplezier, stukmaakstergenot.
Uiteindelijk, wanneer het erop aankomt,
ga ik de deur niet uit, slik ik mijn haatpost in,
verschroeit het gif mijn ingewanden, niet de jouwe.

In een platgebrand huis is plaats voor primitieve groei.
Daar lig ik, zwellend als een pijnballon die uit de sponningen puilt, het dak optilt.
Een zomer lang, een herfst en nog wat winter.

De verliefde verzamelt, de teleurgestelde sorteert.
De verbale liefkozingen in het doosje met de zijden voering,
de langgerekte blikken aan het knaapje achter het netvlies,
de steelse aanrakingen in rijtjes in het huidgeheugen.

Blijft na jaren over: restfractie.
Zoals je mijn naam uitsprak, je jas aantrok, je bril opzette.
Je vermogen om afscheiden op te rekken met telkens nieuwe zinnen.
Op de straathoek waar je die laatste keer parkeerde,
slijten de vakken volgens de wetten van het slijten.
Ooit worden ze weer bijgewit.

Zo’n sneeuwbolletje op een plank, je weet wel.
Zwevende deeltjes in een vloeistof.
Als de onzichtbare hand mij schudt, wervelen ze op.
Korter, mettertijd korter.
In een bevattelijker universum, onder een plastic hemeltje.
4½ (uit de cyclus ‘Getallenleer’)

In de salon zijn de rolluiken neer.
De stoelen in permanente meditatie verzonken.
Op de rechtse bij het raam zit de meer dan levensgrote opblaasbare kater
met staarogen en waanzingrijns.
Liefdevol geschonken gruwel.

In de keuken krimpt ze binnen haar zachte contouren van viereneenhalf.
Allerbeste bedoelingen ketsen af.
Komaan schat, hij is lief, hij doet echt niks, kom dan kijken.
Terwijl alleen het doodstil zitten op die plastic achterhand
de eerste nachtmerrie voorspelt.

Toch dwingt ze zich wanneer niemand kijkt een blik in het duister te werpen.
Keer op keer bezweren.
Zit hij er nog?
Hij zit er altijd nog.
Ook na de vissticks met spinazie en puree.
Als je hem lek durft te prikken met die vork ga je dood.
11 (uit de cyclus ‘Getallenleer’)

Met haar voet tekent ze figuren op de plavuizen.
Duizend figuren en de mis is uit.

Voor het eerst valt haar het misdienaartje op.
Ziet hij haar ook en hoe haar nieuwe jurk valt de bultjes eronder
verdwijnen in lichte schouderkromming.

Voorbeden en vergeving murmelen.
Iets over opstanding gaat oor in oor uit.
Ze slaat haar benen in een kruis van verse vrouwelijkheid.

Als je het gezangenboek opent –
ver genoeg –
krult de rode kaft om tot een hart.

Voor wie geduld heeft verricht Hij een mirakel.
Wanneer ze twaalf wordt, zal ze het album met het slotje kopen,
in het grootste geheim de eerste zinnen schrijven.
Geplaatst in Gedichten.