Peter Holvoet-Hanssen – De wolkendragers

Smeltkroes van wonderlijk allooi

door Geert Zomer




Een eerste indruk, of liever het eerste woord dat bij mij opkwam, bij het inzien van De Wolkendragers was ‘smeltkroes’. Na wat vluchtig bladeren heb ik de laatste geboorteling van Peter Holvoet-Hanssen terzijde gelegd om deze, ongeveer een week later, weer op te pakken.
Smeltkroes: in letterlijke zin is dit een instrument waarin vaste stoffen tot hoge temperatuur kunnen worden verhit, tot boven hun smeltpunt. In overdrachtelijke zin is het een plaats waar zeer verschillende zaken zich mengen tot een geheel.

De bundel is verdeeld in drie afdelingen: bovenstroom, onderstroom en tegenstroom. Voor deze hun opwachting maken zijn er al een aantal zaken gepasseerd. De bundel wordt ingeleid door Don Fabulist – Ridder der Vagebonden van Het Kapersnest – zo is te lezen op zijn website. In een driestrofig vers bezingt hij het spel van vuur en wind waarin ‘gloeiend goud’ en ‘zwartgeblakerd woud’ als kernwaarden worden opgevoerd. Gloeiend goud is in de smeltkroes van het alchemistisch proces de hoogste waarde die kan worden verkregen. Vuur kan goud doen ontstaan maar ook een woud laten verbranden tot zwartgeblakerde bomen.

Dan volgt ‘tritonistische interventie’. Eerst een foto: de strandbeest-kunstenaar Theo Janssen, wandelend op een stalen brug. Daaronder een tekst. Een fragment: ‘In de poëzie – niet op veilig spelend – ligt onze laatste vrijheid verscholen. Laten we ons verplaatsen in onze tegenpool en ongrijpbare vonken opwekken die overspringen.’ Er volgt een prent – de Zeeslag in de Straat van Messina, 1561, van Frans Huys – afgebeeld over twee pagina’s, gevolgd door een gedicht.

———–Trinacria, Vuurtorenstraat

———–wil je een gedicht om bij te zitten, maken wij het stil
———–rattenpluimpje, hoor niet maar goed luisteren, we roepen op:

———–Orion op de Neptunesberg met zeewier op zijn kop
———–vuurgigant onder de Etna rommelt van de honger – dit
———–is het blauwe uur en Bruegel leert ons zien, niet kijken: daar
———–slapen minnaars op het strand het Paradijs; kristalpaleis
———–op de bodem waar je nog tussen de bomen zwemmen kan
———–boven is het oorlog, zwaardvismens slokt bruggenbouwer op
———–onheilspellend blaft het monster Scylla, ooit een mooie nimf
———–en Charybdis, nu een draaikolk, zuigt je naar de diepte: ‘mijn water
———–breekt wel zeven keer, kom hier met hoogmoed, jaloezie’

———–het totaalmoment kijkt met een derde oog; nu brandt de stad
———–in de verte tussen zee en hemel als een kamertje
———–in je hoofd en zo is dit gedicht gedaan, het tilt je op
———–fluistert in je oor: ‘laat ons verrijzen als vers brood uit het
———–bont geslagen deeg des levens, glippend door de tanden van zes
———–hondenmuilen want wij zijn van wind en als het lot ons vangt
———–vliegeren wij weg’ – sta recht, zeg: ‘Goleman, wat heb jij pech
———–want jij kent geen voetjes in het zand met uitzicht op het licht’

Evenals in het eerdere gedicht van Don Fabulist speelt vuur hier een centrale rol: als vuurgigant onder de Etna en als een brandende stad in de verte tussen zee en hemel als een kamertje in je hoofd. Wat ook opvalt is dat het totaalmoment met een derde oog kijkt. Tijd en ruimte kennen geen logische structuur, maar vormen beelden als in een droom. Ineens is daar een kristalpaleis op de bodem waar je nog tussen de bomen zwemmen kan, terwijl het boven oorlog is en zwaardvismens bruggenbouwer opslokt.

De eerste afdeling van de bundel, ‘bovenstroom’, begint met het groepsgedicht ‘Voyage’ van 2 klassen van het Koninklijk Atheneum Antwerpen, 4 ASO. Het vers is een smeltkroes, een samenkomst van denkprocessen uit vele innerlijke werelden: ‘In dit land rillen de pinguïns / hoor ze balken als ezels ik wil hier weg / laat ons met rust om 38 dagen te broeden / (…)’ Het gedicht sluit af met: ‘Maak open plekken in je hoofd! / Neem elkaar bij de neus // op zoek naar de hemel. // wij zijn reizigers voor altijd’.

Er volgen nog twee groepsgedichten waarin ditmaal Antwerpen op veelvormige wijze wordt neergezet. De reis door de bundel wordt voortgezet met een prozatekst uit de zeef van een goudzoeker: ‘Het is altijd Kerstmis bij de engelen’, de ‘geknoopte’ memoires van een Vlaamse SS-Kriegsberichter. Als zoon van een Antwerpse ‘briljandeur’ wordt zijn reis beschreven. Het startpunt is het lokaal waar de theoretische lessen gegeven worden in de beroepsschool voor grafische vakken in Antwerpen. Dan volgt er een tocht door Duitsland, Frankrijk en Rusland. Het eindpunt is de binnenkoer van het gevang in Antwerpen.

De wolkendragers nodigt uit tot speurwerk. Is Willem Winter, de naam die vermeld wordt bij het gedicht ‘De vloek van de UB-19’ een bestaande schrijver of is het een pseudoniem van Peter Holvoet-Hanssen? Schrijvers, begrippen, tijdslagen, nieuw gecreëerde woorden, opsommingen, gemeenplaatsen, fantasiecreaties, echo’s, vaartuigen en mythologische wezens buitelen over elkaar heen.
Het is een ode aan onze laatste vrijplaats; die van de poëzie. Waar kan deze beter worden uitgedragen dan in de psychiatrie? In zekere zin is een (langdurige) opname in een psychiatrische instelling een begrenzing met strikte regels. Anderszins wonen er mensen bij wie het besef van tijd en ruimte een ondergeschikte rol lijkt in te nemen ten opzichte van associatiedrang en fantasie (ontgrenzing). Het is van onschatbare waarde dat er binnen de muren van de instelling vrijplaatsen zijn die ruimte en veiligheid bieden om de innerlijke gedachtenstroom vrijelijk te laten vloeien.

Groepsgedicht voor ‘stigWA’ van nomadisch psychiatrie-poëzieproject ‘de Ruimte Scheppende Geheelden’ (Bethanië te Zoersel):

——–                                                                                —‘Hou me alstublieft vast. Wij zullen niet breken.’



——- –                               –IK BEN MAAR EEN GEDICHT

———
———————                                                                                                                                            
onbeschreven blad
——–                                                                                                                        ————————   gevangen in beweging
—–                                                                                                                                                                        leegte of leven

——– —
——– —
——– —
——-                          —- dit is de beklimming van de diepte
———-                          –als smeltende sneeuw op de takken
———                          —gepluimde vogels, gefixeerd op de lens
———                          —wij zijn het glas dat vallen mag
———-                          –dromenvangers, stap voor stap de berg af

———                                         —licht van de bomen, breek mij open
———                                         —ik hoef geen sterrenpracht te zien
——-                                         —- ik wil het stof van uw lippen praten
———                                         —het zand is zacht maar groot is de woestijn

—–                       — —een zilveren toren, een mensenvogel in dromendracht
——–                        —met het spinnenwiel van de tijd tussen zijn knoken
——–                        —staart hij naar het kleed dat hij nooit zal weven
­———–                      –– met mijn ogen open probeer ik toch te dromen
­———-                       –– de haaien zonnen, je moet de dood leren zwemmen

———                                –alleen op een bank, als klank zonder kleur
——–                                —kijkend naar een toekomst die ik wil vinden
——-                                —-liggend op mijn rug, gedachten dwalen naar de sterren
———                                –geef mij 1000 namen, stralen die de maan vasthouden

———                       –snorrenbaardje, ik mis je zo graag

In ‘tegenstroom’, de derde en laatste afdeling van de bundel, staat het titelgedicht van de bundel, maar dan in enkelvoud: ‘Wolkendrager’. Na een aantal inleidende regels volgt de kern van het gedicht: ‘je deed mijn buikje bollen, roezeruis / kom zoonlief, draag de wolken mee naar huis // (…)’. Er doen wederom veel dichters van zich spreken. Delphine Lecompte, Kurt de Boodt, Annemarie Oster en Piet Gerbrandy zijn slechts enkele namen uit het bonte gezelschap die hun steentje hebben bijgedragen aan de poëtische smeltkroes. Of deze steentjes getransformeerd zijn tot vloeibaar goud laat ik graag aan de lezer over, als onontkoombaar deelnemer aan het alchemistisch proces.
Wat mij persoonlijk raakt is dit vers uit ‘bovenstroom’.

———                          – –Wolkenroosje
———-                      –voor Anna Rozenboom


——–                          —Eén plus één is één
——–            —mijn naam is Juffrouw Dondersteen …

—-                 ——-wolkenladders, hun verbinding
—-                       —–hemel met de aarde, tussen
——                    —wal en schip, zo vonkt het even
——-                    –kolkend om toch stroom te geven
——-                       mist, onvatbaar, die hen wegwist

———                 —meeuwen vluchten naar de nacht, wij
———                   — zuchtten toch ook uit de leegte
——–                    –     veeg die cyclus te verbreken
——–                     —codenaam Spioentje, kom, mijn
———                         zoetlipje, geef zeezoutzoentjes

——-                            –‘ik zag vele mooie hemels’
———                        bronstig klokt de zon, ons nest is
———                           op een plukje in de avond
———-                          teken jij de laatste mussen
———-                         wolkenogen, mijn verslaving

De wolkendragers is een bundel om veel open te slaan. Om in te verdwalen, om jezelf in te verliezen, vonken over te laten schieten, je te laten dragen door de taal en volgens Holvoet-Hanssen zo nu en dan te zeggen: ‘Dat is een mooie gedachte, geen pijn. Spook goed in mij uit.’
____

Peter Holvoet-Hanssen (2020). De wolkendragers. Uitgeverij Polis, 104 blz. € 20.00. ISBN 9789463100953

Geplaatst in Recensies.