“Ergens grip op proberen te krijgen is ook gewoon heel leuk”

Maarten Buser (1991) is dichter en kunstcriticus. Hij werkt voor media als de lage landen, Metropolis M en Gonzo (circus). In 2016 debuteerde hij met de gedichtenbundel Club Brancuzzi (Uitgeverij Koppernik), en in november dit jaar verscheen zijn non-fictieboek Geertje van de Kamp in Japan, een Nederlandse kunstenaar in Azië (Uitgeverij Waanders). Ook vertaalde hij diverse Engelstalige dichters naar het Nederlands.
Alja Spaan ging met hem in gesprek.

foto Aad Hoogendoorn


Je hebt een jaloersmakende staat van dienst, beroep en interesse. Kom je uit zo’n cultureel nest?
Dank je! Ik doe gewoon mijn best en dan is het fijn om zulke leuke reacties te krijgen. Mijn moeder, vader en zusje lezen alle drie graag, en we zijn allemaal breed geïnteresseerd. Er zijn altijd boeken in de buurt geweest, maar ook tijdschriften, kranten en strips. Een van de eerste dingen waar ik naar uitkeek was om eindelijk zelf de Donald Duck te kunnen lezen, waar ik trouwens nog steeds een groot liefhebber van ben. Ik ben als basis- en middelbare scholier ook regelmatig meegenomen naar musea, eerst vaak van natuurhistorische aard en later ook kunstmusea.

In een interview met Meander uit 2016 zeg je dat je bent gaan dichten onder invloed van Leonard Cohen. Gezien je leeftijd bezit je of een oude ziel of inspirerende ouders. Cohen deed heel lang over het schrijven van een liedje, hoe gaat dat bij jou?
Cohens Greatest Hits vond ik inderdaad tussen de cd’s van mijn ouders, toen ik rond mijn vijftiende, zestiende wat verder dook in de singer-songwriters, folk en country. Ik was nog te jong om veel van zijn teksten te begrijpen, en ik weet ook nu niet altijd wat hij bedoelde, maar ik merkte dat het hielp met interpreteren als ik nummers vaak beluisterde. Zo ontdekte ik dat grip proberen te krijgen op iets dat je niet snapt ook gewoon heel leuk kan zijn. Later herkende ik dat ook in teksten van hiphopartiesten als Aesop Rock, Dessa en de Wu-Tang Clan; daarop kun je blijven kauwen. Dat is denk ik ook wel mijn ideaal voor een gedicht: iets dat je misschien niet direct begrijpt, maar dat je wel direct aanspreekt en waar je graag de tijd voor neemt.

 

Kijkgeschiedenis (voor Robert Polito)

Mijn contouren snurken op de bank,
avondvullende tabbladen en de kamer

verschieten van kleur. Achter het gordijn
draaien koplampen de weg op

Buiten zijn kleedkamers, acteurs mopperend
op het script, krakende banden, kortsluiting

Een metafoor is een vinnige souffleur
De fabrieken zijn uit het zicht gewerkt,

maar hun afvoerpijpen komen overal
Op de gang borrelen constant

nieuwe, beschikbare beelden op,
van verre mengend als lange echo’s

Je blijft napraten
en de dag wordt van lage resolutie

Ook blijkt uit dat interview dat je een voorliefde hebt voor de klassieke (dode) dichters. De enige die in dat interview naar voren komt (helaas nu niet meer aanwezig) is Wim Brands. Je hebt het over de enorme beheersing in zijn werk. Ook in het antwoord op de vraag waarop je bent afgestudeerd zit in je bewondering voor Mustafa Stitou het ‘oog voor detail en een bepaalde beknoptheid’. Wat heeft dat gedaan voor je eigen gedichten?
Dat kan ook de fase toen geweest zijn: net gedebuteerd, paar jaar daarvóór afgestudeerd, en dan zijn klassieke dichters als Nijhoff, Rimbaud en Baudelaire toch wel aanlokkelijke ijkpunten. Niets ten nadele van hen overigens, ze zijn nog steeds belangrijk voor me, net als Wim Brands als Mustafa Stitou. Ik heb nog steeds veel bewondering voor de informatiedichtheid, de scherpe formuleringen en het oog voor detail van die twee; daar heb ik veel van geleerd. Dat herkende ik ook in het werk van dichters als Ellen Deckwitz, Peter Swanborn en Mischa Andriessen, en later ook bij Jan Baeke en Eva Gerlach.

Maar er is natuurlijk meer veranderd sinds dat laatste interview. Ik wil, anders dan eerst, bijvoorbeeld niet meer zo beheerst en bondig zijn. Echt wild zie ik mezelf nog niet worden, maar iets minder prutsen op de vierkante centimeter mag best. Niet alles hoeft per se een reden te hebben of geïnterpreteerd te kunnen worden. Een belangrijke impuls voor die ontwikkeling, is dat ik inmiddels al een jaar of twee hoofdzakelijk over beeldende kunst schrijf. Iets dat me specifiek aantrekt is hoe videokunstenaars montage gebruiken om verschillende soorten beelden elkaar op te laten volgen en zo dus bij elkaar te brengen. Denk bijvoorbeeld aan Emma van der Put, Melvin Moti, Alice Wong en Mika Rottenberg. Nadenken over mijn poëzie gaat de laatste tijd vaak door het nadenken over andermans kunst.

Ook ben ik Engelstalige dichters gaan vertalen, voor verschillende Nederlandstalige tijdschriften. Ik kijk met gezonde jaloezie naar Robert Polito (die ik eerder dit jaar voor Awater vertaalde) en Ander Monson (komend jaar in mijn vertaling in de Poëziekrant). Toen ik hen las voelde ik een zekere herkenning, want hun poëzie sluit aan bij mijn eigen interesses, de centrale rol voor beelden bijvoorbeeld, en het gebruik van montage-achtige technieken. Ik vind het belangrijk om buiten je eigen taalgebied en medium te kijken; dat houdt de poëzie fris.

Hoe ben je zoveel te weten gekomen over kunst en wat is de link met poëzie?
Dank je! Ik voel me daar soms wel een beetje onzeker over, of mijn kennis over kunst wel groot genoeg is, gezien ik geen kunstgeschiedenis heb gestudeerd, maar Nederlands. Ik volgde wel een aantal vakken kunstgeschiedenis; om precies te zijn middeleeuws, modern en hedendaags. Vooral bij modern merkte ik dat ik veel van de avant-gardebewegingen al enigszins kende uit colleges literatuurgeschiedenis.

Voor mij zijn kunst en literatuur vrijwel altijd nauw met elkaar verbonden geweest, ook omdat ik me al vroeg aangetrokken voelde tot het idee dat veel critici die zich bezighielden met de toenmalige vernieuwingen in de beeldende kunst, óók dichter waren; denk aan de eerder genoemde Baudelaire, of aan Apollinaire, John Ashbery of Frank O’Hara. Er zijn sterke parallellen tussen hun poëzie en de ontwikkelingen in de kunst van die tijd. Ik vind het een prachtig idee dat er blijkbaar een soort bron is of dat er iets in de lucht hangt dat in verschillende media tot uiting kan komen. Dat zie ik ook bij Maria Barnas, die soms dezelfde thema’s en beelden in haar gedichten én kunstkritieken gebruikt, en daar tegelijkertijd een frisse, andere wending aan geeft.

Je bent opgegroeid met alle moderne communicatiemiddelen, betekent dat dat je in deze rare tijd makkelijker ‘overleeft’?
Wat een leuke, onverwachte vraag in een interview over poëzie! Ik ben 29, dat wil zeggen dat ik op basisschoolleeftijd de inbelverbinding nog mee heb gemaakt. Daarom zou ik eerder zeggen dat degenen die nu ongeveer half zo oud zijn als ik, echt van jongs af aan opgegroeid zijn met een enorme mate van online verbondenheid. Maar ik ben natuurlijk wel gewend geraakt aan digitale communicatie via videobellen en sociale media, wat ook wel nodig is als je vrienden op allerlei verschillende plaatsen door het land wonen en je weleens kunstenaars uit Vlaanderen of nog verder weg moet interviewen. Toch merk ik wel dat bijvoorbeeld kantoorwerk – ik ben midden september begonnen bij de Utrechtse kunstinstelling BAK, en werk ook een dag in de week als tekstschrijver voor het ICT-bedrijf Pazion – toch makkelijker is als je allemaal bij elkaar kunt zitten en gewoon naar elkaar toe kunt lopen als je een vraag hebt. Maar als dat niet kan, kan dat gewoon niet.

Ik ben zeker niet pessimistisch over digitale communicatie; ik probeer daar gewoon zo open mogelijk aan deel te nemen. Er zijn mensen die alles wat online gebeurt per definitie nep vinden, maar ik zie dat eerder als een extra laag van de werkelijkheid. Ik zie de werkelijkheid niet als iets dat per definitie ondeelbaar is, maar juist als iets dat uit verschillende laagjes bestaat: van internet tot metaforen en herinneringen. Dat probeer ik natuurlijk ook een plaats te geven in mijn gedichten. Voor Club Brancuzzi schreef ik al heel erg vanuit beelden, maar mijn nieuwe interesses lenen zich daar misschien nog beter voor.

 

Re:

Mijn scherm licht op. Vaak is zij dat
We hebben eigen levens met treinen

en mensen die de ander niet ziet,
maar we praten elkaar bij

Soms overlapt ons uitzicht,
maar ze is er altijd

Ik tik het gesprek aan zoals
ik even haar arm aan zou raken

In november verschijnt een nieuw non-fictieboek van je, Geertje van de Kamp in Japan, een Nederlandse kunstenaar in Azië. Alle succes daarmee. Wanneer komt er een volgende gedichtenbundel?
Dat weet ik echt nog niet. Ik wil voor de tweede bundel gewoon rustig de tijd nemen om mijn gedichten aan te scherpen en mezelf uit te blijven dagen. Er zitten sowieso nog verschillende gedichten, ideeën en beelden in mijn hoofd die nog niet echt vorm willen krijgen. Zoiets heeft tijd nodig. Waarom zou ik me haasten?

 

Bol

Ik wilde gewoon een beeld dat ‘vanochtend,
hij sliep’ vacuüm zou trekken
Ik hoorde je nieuws voor de spiegel

op de overloop; daarna scheerapparaat,
klassenbarbecue, bezorgde onbekenden,
controleronde, een groep

voel ik me opeens, opzwellende
stembanden, ik stel me voor dat je
op reis bent, geen ouders, onderzoeker

met Hawaïblouse (dat lijkt toch niet),
een klasgenoot doet alsof
met onbeheerde jenever, iedereen

bedwongen door de kat
die rood garen het beeld in speelt
Ik weet bijna niets van je en de dag staat bol

Misschien moet die ochtend anders:
na dagen je bed leeg,
theelepel onder het vloerkleed

 

 

 

 

 

Geplaatst in Interviews.