Het begon met de stier van Paulus Potter

Een interview van Hans Puper met de recensent die zijn naam niet nogmaals vermeld wil zien


(xxxx ?)
Veel dichters in Nederland hebben een gereformeerde achtergrond: zij zijn opgegroeid met de taal van de Statenbijbel. Voor kinderen soms raadselachtig, angstwekkend. Neem dit eens: ‘En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.’ Prachtzin toch? Je zou er op slag republikein van worden. Ideaal voor een dominee die hem vanaf de kansel wil uitstorten over zijn sidderende gemeenteleden! Op dichtertjes in spe moet dat wel een onvergetelijke indruk maken.
(xxxx ?)
Nee, bij mij ging het anders. Ik ben trouwens een lezer, geen dichter. Ik ben opgegroeid in een jaren vijftig-wijk voor geschoolde arbeiders, kleine ambtenaren en lager kantoorpersoneel, in Utrecht. Wij lazen thuis de bijbel niet, we waren niks volgens mijn vader. Daar nam ik als jochie geen genoegen mee, daar kun je op straat niet mee aankomen. Toen zei hij dat ik me maar humanist moest noemen als ze erom vroegen. Maar dat terzijde. Aan de overkant woonde een huisschilder. Een enkele keer, als hij had overgewerkt, nam hij de auto van de zaak mee naar huis. Er zat een imperiaal op, waarop een reclamebord was vastgemaakt met de tekst: ‘De verf van Blom dekt vlotter dan de stier van Paulus Potter’. In twee regels, anders zou het bord niet op de auto hebben gepast. Ik snapte die zin niet, ik was een jaar of acht toen ik hem voor het eerst zag. Ik heb het aan de schilder gevraagd. Hij legde me uit wat dekkende verf was en dat Paulus Potter een boer was uit Maartensdijk. Ik snapte het nog niet. Pas veel later ontdekte ik hoe het echt zat. Dat schilderij, die dubbele bodem, ik vond het prachtig! Ik was twaalf, de leeftijd waarop je heel ontvankelijk bent voor grappen over seks.
(xxxx)
Nee, inderdaad, ik kan niet zeggen dat ik in een culturele omgeving ben opgegroeid. Toen ik eens tegen mijn vader zei dat ik gitaar wilde leren spelen, riep hij dat dat niet kon, omdat ik niet eens een gitaar hád! Geen speld tussen te krijgen, die man had een gietijzeren logica. Maar ik las alles wat los en vast zat. Mijn buurvrouw waarschuwde me dat ik mijn verstand nog eens naar de filistijnen zou lezen. Ze was heel bezorgd. Lief mens, ze is al over de negentig, maar ze belt me nog wel eens.
Aan de andere kant: mensen konden prachtige dingen zeggen. Boven ons woonde een bejaard echtpaar, tante Cobie en ome Ton. Die hadden lang in Amsterdam gewoond. ‘Krijg de muizehuig, jij’, lachte ze als je haar in de maling nam. Ome Ton noemde de zware shag van Van Nelle apehaar. Hij  schold me ook weleens uit voor kanebraaier, voor de grap.
(xxxx ?)
Die slagzin is ook poëzie, hoor. Maar goed. Echte poëzie leerde ik kennen op de HBS. Daar moesten we …
(xxxx ?)
De Hogere Burgerschool, ja die kennen jullie niet meer. De HBS hebben we te danken aan Thorbecke. Een schooltype dat paste bij de snelle maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Veel leerlingen werden ingenieur, natuur- of scheikundige. Er zijn erbij die de Nobelprijs hebben gekregen. Maar ook Willem Kloos, Jacques Perk, Albert Verwey en Frank van der Goes zaten op de HBS. De Tachtigers. Ze waren leerling van de bekende dr. Doorenbos. Het gymnasium was wat stoffig in die tijd, die was voor aankomende dominees en juristen. Daar zaten mensen als Nicolaas Beets. Ik zat op de Rijks Hoogere Burgerschool aan de Kruisstraat, daar vond je leerlingen uit alle milieus, overtuigingen en gezindten. Heel vormend. Was dat nu ook nog maar zo, mensen gaan veel te veel om met gelijkgezinden.

(xxxx ?)
O ja. Hoe ik poëzie leerde kennen. We moesten gedichten uit ons hoofd leren en declameren, we kregen daar een cijfer voor. Soms was er een wedstrijd voor de hele school. Een jongen droeg een keer ‘Van de zee’ voor van Kloos. Het hele publiek deinde mee op de maat, met de armen omhoog. Hij heeft niet gewonnen. Het is trouwens heel goed om gedichten uit je hoofd te leren, je leert ze dan heel goed kennen en je hebt ze altijd bij je. Na de HBS ben ik Nederlands gaan studeren, moderne letterkunde. Daar zat natuurlijk heel veel poëzie in.
(xxxx)
Nee, dat klopt, dichter ben ik nooit geworden. Ik wilde het wel, maar kwam nooit verder dan ‘De ene wil die ene / en die ene wil de ander niet’. Wel een mooie samenvatting van het menselijk bestaan, trouwens. Maar ik bleef het proberen. Tijdens mijn studie werkte ik vaak, de ene keer als magazijnmedewerker, dan weer als verpleeghulp of pompbediende. En ..
(xxxx ?)
Wacht nou even. Ik kwam ook eens op een reclamebureau terecht. Ik mocht meedenken over slagzinnen. Leuk, ik was weer terug bij de stier van Paulus Potter. Het was het bureau waar ‘Melk, de witte motor’ werd bedacht. Ik vond het een slogan van niks en dat heb ik ook gezegd. Kromme beeldspraak, want hoe kan iets vloeibaars nou een motor verbeelden? Bij melk dacht ik aan brandstof voor de motor van de mens, de spijsvertering. Ik stelde een betere slagzin voor: ‘Melk, de witte motorolie’. Ik werd aan het eind van diezelfde dag ontslagen, aan mij hadden ze niks. De directeur was een aardige kerel, hij betaalde me nog voor de hele week uit en het was pas woensdag. ‘Word jij maar geen dichter’, zei hij. Ik heb me daaraan gehouden. Het is goed zo.

Geplaatst in Column.