Samen (1)

De Poëzieweek, 28 januari tot en met 3 februari, heeft als thema ‘Samen’. Een woord dat in deze verwarrende tijden een extra lading krijgt. Vijf gedichten die over ‘samen’ spreken:  van alleen naar ‘samen’, van ‘samen’ als werkwoord, van ‘samen als keuze’.

 

kinderen maken kunst, wand Hermitage

 

 

het recht, de plicht om te leven

er zal niets zijn
. geen zoekend insekt
. geen huiverend blad
. geen brullend of volgzaam dier
niets warms, niets bloeiends
niets winters, niets blinkends, niets geurigs
. geen lommer door zomerbloemen, gezoend
. geen boom in een bontjas van sneeuw gehuld
. geen wang door een dartele kus bedacht
. geen koene of dralende wiek in de wind
. geen heerlijke huidplooi geen zingende arm
niets om te bevrijden te winnen te schenden
niets om voor uiteen of voor samen te gaan
. geen goed en geen kwaad
. geen nacht van liefde geen nacht van rust
. geen vaste stem geen trillende mond
. geen ontblote borst geen geopende hand
. geen nooddruft en geen verzadiging
niets zichtbaars niets ondoorzichtigs
niets zwaars niets lichts
niets sterfelijks niets eeuwigs

er zal een mens zijn
wat voor mens doet er niet toe
ik of een ander
anders zal er niets zijn


© Paul Éluard
Afscheid

Maar ook zonder ons samen
draait de wereld wel door,
al weet ik niet waarom.

Voor vriendschap is verhuizen
als de dood. En ik blijf stom
omdat ik stoer en sterk moet zijn,

zoals wij waren. Maar stil
durf ik een onbeholpen woord:
enzovoort, enzovoort, enzovoort.


© Ted van Lieshout
uit Van, Als & Och, Leopold, 1995
De stilte binnen spant
samen met de wind buiten.
In de wereld beland
– waaraan wij ook ontkwamen
en wat we ook buitensluiten
of verzwijgen – aldoor
weer onderwerpen ramen
ons aan een oud verhoor.


© Adriaan Roland Holst
uit Een winter aan zee, VI, vers 6, De Gids, jaargang 98, 1934
Over wanhoop van dingen

Over wanhoop van dingen:
een blokkentoren die te hoog wordt en voorover reikt<
een kraan die lekt, of een verlaten
omgevallen autobus, troosten wij ons
met de troost van dingen:
schoenen zoals ze daar zo samen staan
en bovendien het merkje Amica van binnen


© Judith Herzberg
uit Beemdgras, Van Oorschot, 1968
Ik hou van mensen die blijven, zei hij

Ik hou van mensen die blijven, zei hij,
we stonden samen onder het afdak te turen
naar het kantwerk van de winterbomen
en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan

hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd,
langs vergane boomgaarden, nabij tere beken,
voor een gesloopt huis hield hij halt en
keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde
aarzelend sloop er zomer in zijn stem
en ik zag dat hij even weg was


© Roel Richelieu Van Londersele
uit Een Mens op de Bodem, Atlas Amsterdam/Antwerpen, 2001
Geplaatst in Gedichten.