Hedwig Du Jardin – Licht & traag & diep

Verleden & heden

door Maurice Broere




De bundel Licht & traag & diep is opgebouwd uit zes getitelde afdelingen. De verzen beslaan nooit meer dan een bladzijde. Eindrijm en hoofdletters ontbreken. Interpunctie is er wel, maar zelfs na een punt ontbreekt de hoofdletter aan het begin van een nieuwe zin. Het mooie van deze handelwijze is dat de lezer bij de les moet blijven en niet kan indommelen tijdens het lezen. Terugkerende elementen zijn: wind, zee, ouders, de dood, dans.

Uit: het uitzicht kijkt naar mij

dichter

hier spelen we dichtertje met elkaar
er is geen woord waar we niet over vallen
onze gedachten vermageren zienderogen

we schudden aan slapende verzen, spreken
in beelden en schrappen oud zeer
schrijven schraapsels en schaafsels aaneen

lezen bij de ander wat die niet kon zeggen
maar beducht voor te open en bloot
gunnen we elk zijn kleren aan

vanavond, doorheen de tralies van het balkon
peilen we het dal in de diepte,
een zondoorwarmde muur in de rug

Du Jardin (1950) beschrijft het moeizame proces van het dichten. Buitenstaanders denken vaak dat bij een dichter uit het niets een compleet vers binnenkomt. Natuurlijk is er ergens een vonk die inspireert en de basis vormt voor een gedicht, maar daarna begint het proces van schrappen, vervangen, volgorde veranderen. Net zo lang tot de schrijver tevreden is. Sommige verzen bereiken dit stadium niet en sneuvelen onderweg. Dichters zijn perfectionisten, die proberen in te voelen wat de woorden bij de lezer oproepen. Is dit nog wel te doorgronden of is het te expliciet? Misschien speelt de angst om te publiceren een rol: ‘peilen we het dal in de diepte’. De laatste strofe is raadselachtig. Tralies wekken naast veiligheid de associatie op met gevangen zitten. De tralies beschermen de dichter voor een val naar beneden en houden de vijandige buitenwereld op veilige afstand. Misschien moeten we het opvatten als metafoor voor de positie van de dichter enerzijds boven de afgrond, waar de kritiek op de loer ligt en anderzijds een veilige positie met een steun van warmte in de rug.

Uit: onder de levenden

dode ouders

ik ben op reis met dode ouders in de handbagage
door de luiken waarachter ik huis glipt grillig licht naar binnen
schaduw van amandelblaren huivert over de muren
betast de barsten in de verweerde leem

de bergbeek wijst de weg
naar de zee die de as van de ouders drinkt
laat deinen, meeneemt in golven

hier gaat later haar badpak zwemmen
met mij erin. dan drijf ik op het tij
zoals zij

Heel je leven neem je je ouders en het verleden mee. Als het leven een reis is, zal je op alle mogelijke momenten geconfronteerd worden met het verleden, zowel bij de prettige als bij de minder prettige ervaringen: ‘barsten in de verweerde leem’. Zoals het water de as van de ouders meeneemt naar de zee, zo neem je het verleden mee. Je zwemt als het ware in restanten van het verleden.

Ook uit: onder de levenden

samen in zee

levenslang in zijn kielzog, dobbert zij toch voorop
zonder omzien richting horizon. tegen zijn aard in
blijft hij dralen, drijft haar aarzelend achterna

ze gingen door het vuur, witgloeiend geblakerd
staalhard gesmeed voor de reis over de zeven zeeën
globetrotters op de golven, de wereld glijdt langszij voorbij

boven de zee ontstaan vroeg of laat wolken, gaan ooit aan land
zij miezert motregen, mals op het dak
hij gutst blaasjes in een plas

Dit gedicht volgt op ‘dode ouders’ en is een logisch gevolg. De ouders zijn overleden en hun as drijft in de richting van de zee. Dit keer gaat moeder voorop zonder om te kijken. De vader die altijd de leiding nam, is nu terughoudender. In de tweede strofe volgt een nadere invulling, blijkbaar zijn de ouders gecremeerd: ‘ze gingen door het vuur’ en werden daarna uitgestrooid over het water. Nu drijft hun as mee op de golven van de wereldzeeën. ‘Ze gingen door het vuur’ is trouwens een mooie woordspeling en slaat op de houding van het paar in relatie tot elkaar en hun kinderen en op het crematieproces. Boven de zee ontstaan wolken die later uitregenen boven land met in de miezerregen de moeder en in de stortregen de vader. Eigenlijk zoals ze altijd al waren: zij onophoudelijk, onopvallend, maar constant aanwezig en hij af en toe met heftigheid. Jeugdherinneringen kunnen tragisch zijn, veel schrijvers hebben boeken volgeschreven over hun moeilijke jeugd met dominante vaders of moeders, incest, religieuze dwang om maar een paar dingen te noemen. In dit gedicht is geen sprake van een verwijt naar de ouders en de dichter laat in het midden of er sprake is van een moeilijke jeugd. Dat geeft het gedicht een mooi universeel karakter, de lezer kan hier een eigen invulling aan geven.

Licht & traag & diep is, voor zover ik kan nagaan, de debuutbundel van Du Jardin. Wel heeft ze via diverse kanalen van zich laten horen o.a. in Meander. Toch wekt deze bundel absoluut niet de indruk de eersteling te zijn. De verzen staan alle als een huis en lijken het resultaat van een gerijpt dichterschap. Vermoedelijk heeft er in de loop der jaren het een en ander op de plank gelegen, dat na veel ‘schaven en schrapen’ nu naar buiten komt. Ik ben zeer onder indruk van deze bundel niet alleen, omdat hij veel vakmanschap laat zien in alle facetten van de poëzie in klank, ritme en rijm, die nergens dwingend of gezocht zijn, maar ook in de gelaagdheid die zich niet al te gemakkelijk blootgeeft en daarom de lezer uitdaagt. Ik ben reuze benieuwd wat er nog meer uit haar pen zal vloeien.
____

Hedwig Du Jardin(2020). Licht & traag & diep. Uitgeverij P, 64 blz. €17,00. ISBN 9789493138315

Geplaatst in Recensies.