Kwartet

door Karel Wasch

 

Af en toe ga ik maar eens opruimen. Een Deense vriendin van mij koopt ook teveel en ruimt maniakaal op, af en toe. Haar adagium is: Als je iets koopt doe dan twee zaken de deur uit! Zover ben ik niet gekomen; ik hecht toch teveel aan mijn verzamelingen. Zo heb ik bijvoorbeeld tien kwartetspellen. (Een echte verzamelaar heeft er vaak meer dan 100!) In die verzameling: Het Avro kwartetspel, Het Verkade kwartetspel, Het spoorwegkwartet en Het Nederlands Literatuur Kwartet. Dat laatste spel heb ik nu nog maar eens goed bekeken. Het stamt uit 1997 en is uitgegeven door Eijsbout & Riemsdijk. Met de hulp van diverse uitgeverijen, het Nederlands Letterkundig museum en diverse bronnen is getracht een zo volledig mogelijk overzicht te maken van belangrijke auteurs. Het begint in de 16e eeuw en eindigt in de jaren ’90 van de 20e eeuw. Op de kaarten staan de diverse auteurs in een tijdsperiode, een zwart/wit afbeelding, de belangrijke werken en een informatieve tekst. De kaarten zijn extra groot en voorzien van een pictogram. De naam van de afgebeelde is in een rood lettertje.

18e en 19e eeuw, Tachtigers, 16e en 17e eeuw, Prozaïsten van 1890-1920, Interbellum, Realistische schrijfsters tot 1940, Schrijvers van de jaren ’50 en ’60, Schrijfsters van de jaren ’50 en ’60, Schrijvers van de jaren ’70 en ’80, Schrijfsters van de jaren ’70 en ’80, Jaren ’90, jaren ’40 dit passeert allemaal de revue.

Ik heb eens gekeken naar de dichters. Zijn er veel vergeten? Natuurlijk heb ik het niet over verplichte lijstjes op scholen. Dat is dwangarbeid. Beginnen we bij de 16e en 17e eeuw.
Joost van den Vondel (1587-1679). In mijn jeugd-opa vertelt- werd in Amsterdam de Gijsbrecht ieder jaar opgevoerd in. U raadt het al: het Vondelpark.  Met Albert van Dalsum in de hoofdrol. Ook ‘Lucifer,’ wordt nog gezien als een meesterwerk. Maar leest iemand zijn gedichten nog? Pieter Cornelis Hooft (1581-1647) dan? Ja er is een P.C. Hooftstraat in Amsterdam met uiterst dure winkels waar veel gajes zijn zwart geld omzet in dure merkkleding. Toen ik daar leefde in de jaren ’50 van de vorige eeuw met mijn ouders, was het een gewone straat met bakker, groenteman en viswinkel. P.C. Hooft zou zich in zijn graf omdraaien als hij de huidige straat zou zien. Uit de wervende tekst uit het kwartet op het kaartje van Hooft:
‘Men ziet Hooft als de meest belangrijke renaissancedichter. Zijn verfijnde taalgebruik en subtiele ritmiek zijn vernieuwend voor de Nederlandse poëzie.’
Mooi! Prachtig! Leest iemand hem nog? Dat geldt ook voor Everardus Johannes Potgieter (1808 1875). Hij was nogal een brave man, verheerlijkte de deugd, de handel, het vaderland en de godsdienst! Zou men hem daarom vermoeid terzijde schuiven in onze tijd?
Belanden we bij de Tachtigers. Herman Gorter en Willem Kloos kennen een paar mensen nog, misschien, Gorter van de ‘Mei,’ Een nieuwe lente, een nieuw geluid.’ Kloos (1859-19128) dronk zich bijna dood en van hem is de regel: ‘Wie dronk ooit water, daar hij wijn kon plengen?’
Frederik van Eeden staat in het geheugen van een paar mensen nog met: ‘Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in ‘t licht.’ Wel wordt ‘De kleine Johannes,’ van hem nog door een select gezelschap gelezen. En er is gelukkig Jacques Perk. Bijna iedere Nederlander van boven de 50 kent de zinnen: ‘Ik ben geboren uit zonnegloren, En een zucht van de ziedende zee.’ Maar wees eerlijk: kent men nog een paar zinnen meer uit dit mooie vers ‘Iris?’ In het kwartet Interbellum treffen we natuurlijk Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) aan. De flamboyante scheepsarts, die verkondigde:
‘In Nederland wil ik niet leven, Men moet er steeds zijn lusten reven.’ Maar dezelfde Jan Jacob vierde zijn lusten bot onderweg in bordelen, opiumkits en obscure bars. Een Nederlander, die geen Nederlander wilde zijn en daarom nog wel voortleeft. Simon Vestdijk (1898-1971) schreef veel romans maar ook gedichten, vooral in het blad ‘Forum.’ Zijn gedichten worden nauwelijks nog gelezen, zijn romans evenmin. Na zijn dood probeerde Mieke Vestdijk zijn nalatenschap nieuw leven in te blazen door roofdrukken van Vestdijks boeken -in eigen beheer- uit te geven. Zonder veel succes. Des te meer triest omdat Vestdijk in 1965 was voorgedragen voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Een ander schrijnend voorbeeld is Bertus Aafjes (1914-1994) aanvankelijk beroemd door ’Een voetreis naar Rome’ kwam hij ongelukkig in botsing met de stroom van de Vijftigers, die hij probeerde neer te sabelen, maar uiteindelijk viel hij zelf uit de gratie. Kitty de Josselin de Jong (1903-1991) komt in het kwartet niet voor. Een bijzondere geëngageerde dichteres, maar vergeten. Ook Jo Landheer (1900-1986) ontbreekt in het kwartetspel. De vrouwelijke dichters zijn in het spel sowieso dun gezaaid. Aan romanciers van de vrouwelijke kunne, geen gebrek: Anna Blaman, Marga Minco, Nel Dof, Top Naeff, Hermine de Graaf en Tessa de Loo onder meer. Anna Enquist komt er wel weer in voor bij de jaren ’90. Zij is niet vergeten natuurlijk. De keuze van de samenstellers is merkwaardig. Reve en Hermans ontbreken, maar Gerrit Krol, Nooteboom en Mulisch niet.

Het is moeilijk te begrijpen waarom dichters, schrijvers uit de schijnwerpers verdwijnen. In onze tijd zijn er veel meer dichters dan vroeger. Gedichtenwedstrijden hebben duizenden inzendingen. Wie leest nog Tsjitske Jansen, een paar jaar geleden aan de top. Of Alma Mathijssen? Maar misschien moeten we aan de woorden van A. Roland Holst denken:
‘Eens zullen allen, die tussen ons kwamen zijn weggevallen, wie weet nog hun namen?’ En moeten we vooral lezen wat ons boeit en niet wat populair is!

 

afbeeldingen (c) Karel Wasch

 

Geplaatst in Column.