Hans Claus – Ik heb u lief tot in de dood

Empathische gedichten van een gevangenisdirecteur

door Wim Platvoet




Ik heb u lief tot in de dood is de tiende poëziebundel van Hans Claus (1964). Evenals enkele eerdere bundels van hem is deze bundel prachtig vormgegeven – al vermeldt het colofon helaas niet door wie. De bundel bestaat uit zes afdelingen van elk zo’n zes gedichten. Ieder deel wordt voorafgegaan door een spread met op een zwarte ondergrond potloodschetsen die Hans Claus heeft gemaakt van medemensen, mensen met wie hij een verbinding ervaart of zoekt, zoals hij in zijn inleiding schrijft, mensen bij wie hij dichter probeert te geraken, ‘al die anderen, die ik liefheb tot in de dood’, zoals deze inleiding de titel ‘verantwoordt’.

De titels van de zes afdelingen geven aan met wie Claus zich verbonden voelt: ‘Vluchteling’, ‘De gedetineerde en ik’,’Afstamming’, ‘Vanwege je beerie’, ‘Wereldburger’, en ‘Alleen zijn verbindt’. Ieder deel heeft zijn eigen sfeer, enkele daarvan hebben duidelijk te maken met het beroep van Hans Claus (gevangenisdirecteur, zoals expliciet wordt vermeld) en andere zijn meer betrokken op de privésfeer. Het slotgedicht van de laatste afdeling, waarvan de titel de ook in de bundel aanwezige spanning aangeeft, is een treffende afsluiting:

er is een gedachte opgedoken
in het diepste van de nacht,
een kronkel in een woord geslopen
die niemand had verwacht.

‘vrede’, zei hij en het oordeel brak

Veel gedichten zoeken naar een verbinding, sommige beseffen dat die pijnlijk afwezig is, zoals in het gedicht ‘De gedetineerde en ik’:

elke dag ontmoeten wij elkaar
jij die hier woont
ik die hier werk
aan de overzijde van een nabij
(…)
in tastend ongemak

Hans Claus beseft maar al te goed hoe moeilijk het is een verbinding met een ander mens aan te gaan. ‘Niemand die nog weet wat bindt.’, eindigt het gedicht op p. 52, terwijl het gedicht op p. 54, eveneens uit de afdeling ‘Alleen zijn verbindt’, opent met de regels: ‘sterven doet een mens alleen / zalig eenzaam in de zetel van de tijd’. Blijkbaar twijfelt Hans Claus zelf aan de mogelijkheid van de verbinding met de ‘andere’, en het is mij daarom niet duidelijk waarom hij de slotafdeling bovengenoemde titel heeft gegeven, terwijl de gedichten deze titel eerder tegenspreken. Gaat het eerder om de poëtische uitdrukking van een ambivalentie dan van een zekerheid?

Ik kan de vraag ook anders stellen: slagen de gedichten erin een verbinding met mij als medemens aan te gaan, of mij als lezer te verbinden met de medemensen van Hans Claus? Ik twijfel. Sommige medemensen zijn mensen uit de directe, hoogstpersoonlijke omgeving van Claus, andere zijn meer archetypen. In de afdeling ‘Afstamming’ komen drie archetypische gedichten voor (‘moeders’, ‘Vaders’, ‘zonen’ – de kapitaal in Vaders verbaast me) – en drie zeer persoonlijke gedichten (‘Briek’, ‘Kyan’, ‘Maud’). De slotregel van het gedicht ‘moeders’ is de titel van de bundel – waarmee Claus het belang van dit archetype voor hem duidelijk maakt. Waarom de ‘moeders stil verdwijnen’, zoals twee regels van het gedicht aangeven, terwijl de ‘vaders verdwijnen in dikke gordijnen’, begrijp ik niet, ook niet uit de context van beide gedichten. Deze gedichten hebben een te persoonlijk karakter om mij de mensen over wie ze gaan als ‘mijn’ medemensen te laten ervaren. In die zin is het moeilijk voor mij om een verbinding met ze te ervaren. Maar is dat nodig?

Centraal in de bundel staan die medemensen die zich wat meer op een afstand bevinden (vluchtelingen, gedetineerden en wereldburgers) en met wie de gedichten niet zozeer een ‘liefde tot in de dood’, maar een aardse, menselijke, misschien tijdelijke verbinding zoeken. ‘Het zijn die vreemden, / meneer’, zoals er wordt gefluisterd op café, die daar alleen staan, zonder papieren, tegen een achtergrond van zwijgen, zoals het gedicht ‘Gifaanval’ zegt. De verbinding wordt gezocht in woorden. Daar is het nu eenmaal poëzie voor. Bereiken die woorden degene met wie ze verbinding zoeken? Nogmaals: ik twijfel. En ook de gevangenisdirecteur moet als dichter vaststellen: ‘geven wat u vraagt / kan ik met de beste wil van de wereld niet / al gun ik het u van harte’. (Slotregels van het gedicht op p. 20, dat opent met de regel ‘ik verdraag u’.) Zo drukken de gedichten in ieder geval de – in deze tijd hoogstnoodzakelijke – zoektocht naar de ‘andere’ uit, zoals ook in de inleiding te lezen is. En het gelaat van de ander doet een appel op mij, zoals onder meer Levinas duidelijk heeft gemaakt. Dit gelaat is in ieder geval in de potloodschetsen van Claus duidelijk aanwezig.

In de slotafdeling (‘Alleen zijn verbindt’) blijft de dichter alleen achter en lijkt hij toch gedwongen in het openingsgedicht daarvan, met de typerende titel ‘Pygmalion’, tegen zichzelf te zeggen:

ik heb een beeld gehouwen
dat in de stilte van elk ogenblik
de vraag zal stellen
of alleen zijn in de tijd
vergif is of gegevenheid

eerlijk keert de vraag terug
is alleen zijn de negatie
of de gratie van zijn tegendeel

met andere woorden
is wat ons bindt
gemis of missen wij de vraag
die het beeld ons stellen zal
wij die om het antwoord
dansen als een kind

Het gedicht dat hierna komt heet ‘Eenzaamheid’. Hans Claus heeft in zijn bundel de existentiële én morele opdracht van de moderne, individualistische mens treffend verwoord. ‘We moeten schrijven tot de woorden op zijn, / tot de taal verkleumt. Zolang er woede huist / achter de muur van moedeloosheid en verdriet, / moeten we blijven schrijven naar elkaar.’ (‘Spreekrecht’, p. 21)
____

Hans Claus (2020). Ik heb u lief tot in de dood. Uitgeverij P, 56 blz. € 27,50. ISBN 9789493138308

Geplaatst in Recensies.