Lapo Mosca

door Hans Franse

Dat er hooggeleerden zijn die voor hun plezier detectiveromans schrijven is bekend. Onze eigen prof. dr. Pieter Geijl, groot historicus, schreef als gijzelaar in het kamp Sint Michielsgestel ’Moord op de plas’ terwijl zijn collega prof. Dr. J. Presser, (historicus, dichter, schrijver) ‘Moord in Meppel’ afleverde, onder dezelfde omstandigheden. Het zijn geen diepgaande detectives, wel vernuftig. De hooggeleerde Umberto Eco, bij leven professor in Bologna schreef ‘In de naam van de roos’, een wereldbestseller waarin een monnik als speurder optrad. Iedereen jubelde dat dit bijzonder zou zijn. De roman van de 2016 overleden Eco was fictie en niet op historische feiten gebaseerd, bevatte anachronismen. Maar een monnik als detective: dat was nog nooit gebeurd.

Maar dat is niet zo: onze eigen prof. dr. Hélène Wagenaar-Nolthenius (schrijfstersnaam Hélène Nolthenius) schreef wetenschappelijke boeken, verhalenbundels en romans. Deze Utrechtse hoogleraar in de muziek- en cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen en de renaissance schreef over Italië. Na een soort psychologisch-thrillerachtig boek ‘Weekend op Waldegg’ ontstond een drietal speurdersromans die van een ongelooflijke originaliteit zijn. Twee ervan zijn gebundeld in ‘Moord in Toscane’:  ’Geen been om op te staan’ en  ‘Als de wolf de wolf vreet’.

Zeven jaar voor het boek van Eco werd er een religieuze speurneus gecreëerd in middeleeuwse tijden, waarbij elke zin, elke gebeurtenis en beschrijving historisch klopt en gedocumenteerd is. Nolthenius creëerde een wat haveloze Franciscaner monnik, Lapo Mosca, (zo beweeglijk als een vlieg), een liedjeszanger die met zijn soms ter plekke verzonnen rondelen die hij op een tamboerijntje begeleidde, rondtrok. Zijn meest bekende lied ging over de twee Maria’s, (zijn geliefde Maria van beneden naast de moeder van God) Vandaar zijn andere naam: Lapo Duedonne.
Hij trad laat in bij de orde der Franciscanen, kwam uiteindelijk terecht in het arme klooster in Fiesole, maar was toch vooral betrokken bij Florence. Hij was communicatief, hield van wijn en mensen, trok rond, zong nog steeds, hoorde veel, zag veel en was slim. Zijn netwerk was onbegrensd. Hij werd door zijn ‘gardiaan’ ingezet om delicate problemen op te lossen. In de tussentijd ontmoette hij problemen, bewees de onschuld van arme veroordeelden, loste misdaden op: een soort middeleeuwse Father Brown.

 

het briefje dat Nolthenius aan Hans Franse schreef waarin ze vertelt over de rondelen

Het eerste verhaal speelt zich af in het voorjaar van 1358 tijdens de oorlog tussen Siena en Perugia met als historisch hoogtepunt de slag bij ‘le scalelle’. Hélène heeft, als groot geleerde en onberispelijke archiefonderzoekster materiaal uit de archieven opgediept en verantwoordt de gebeurtenissen. Een voorbeeld van die degelijkheid: in het eerste hoofdstuk leer je hoe Firenze eruitzag, bestuurd werd, hoe de bevolking inspraak had, hoe de Franciscanen leefden en waar de rosse buurt lag. En dat alles alsof het geen moeite kostte. Ook het familieprobleem stamt uit de archieven.
Het boek fascineerde mij en op een dag hebben wij de tocht in Toscane gemaakt die beschreven is in dit boek.  We bezochten daarbij ook Cavriglia, waar de schrijfster woonde in een rustiek huis: ‘Il Colombaio’ (de duiventil).
Ze werkte hard, maar zal ongetwijfeld met echtgenoot Willy Wagenaar, in de vrije uren en in het weekend, wandeltochten of autoritjes zijn gaan maken in dat gebied in de driehoek Arezzo, Siena en Florence, vlakbij Greve. Ze zal met haar grote kennis veel gezien hebben dat in een context paste. Misschien had ze net gelezen over de rondreizende gioculator Angelo Moronti, en maakte ze er een monnik van. Wat precies het creatieve moment was weet niemand: ik zag in het gebied rondom haar voormalig huis de historische plekken waar de beweeglijke vlieg zijn ‘been’ zocht ‘om op te staan’.

Het tweede boek is moeilijker, de tochten in dat boek hebben we niet systematisch gemaakt. En het derde boek ‘Babylon aan de Rhone’?


Dat de paus uit Rome in de Babylonische gevangenschap ging in Avignon is fascinerend. Dat de vader van Sint Franciscus, Bernardone de stoffen- en zijdehandelaar, daarheen ging, is bekend. Hélène was sterk betrokken bij Franciscus en Assisi. Haar boek over Franciscus ‘Een man uit het dal van Spoleto’ is een nieuw type biografie. Ze werkte vaak aan dit boek bij Griet Petrone, een verre buurvrouw van mij, struise Friezin gehuwd met Carlo, klein overspelig Italiaantje. Ze ontmoette mijn altijd lezende vriendin Celine Kustorkiewicz, (ex van Pim Hofdorp, Haags detectiveschrijver), een zeer erudiete Galliciste die haar verweet dat Lapo Mosca al rondelen gebruikte terwijl die in Frankrijk nog niet waren uitgevonden. Ze redetwistten een beetje erover. Hélène loste dat op in ‘Babylon aan de Rhone’. Lapo was speelman geweest in Avignon.

Men zegt dat toen Hélène Nolthenius in 2000 overleed, ze werkte aan een vierde Lapo Moscaboek waarin het Mirakel van Amsterdam uit 1345 centraal zou staan. Als het zo is, dan hebben we iets gemist.

Hélène Nolthenius met uitzicht op Florence

 

foto’s (c) Hans Franse

Geplaatst in Column.