Charles Baudelaire – De bloemen van het kwaad

‘Nu zoveel mooier dan voorheen’

door Herbert Mouwen




De dichtbundel Les Fleurs du mal van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het dichterschap van Menno Wigman (1966-2018). Op de leeftijd van twintig jaar publiceerde hij zevenentwintig vertaalde gedichten uit de bundel van Baudelaire, die de kritiek en het lezerspubliek opvielen. Vertaler Kiki Coumans vond dat de vertalingen van Wigman in 2021 bij de viering van het tweehonderdste geboortejaar van Baudelaire een nieuwe uitgave verdienden. In De bloemen van het kwaad is de oorspronkelijke inleiding van Menno Wigman onder de titel ‘De zwarte bruiloft van Baudelaire’ uit 1986 opgenomen. De gedichten zijn aangevuld met vertaalde prozagedichten uit ‘Le spleen de Paris’. Ook bevat de uitgave een ‘Toelichting bij de gedichten’, een ‘Verantwoording bij de vertaling’ en een ‘Nawoord door Kiki Coumans’, die alle drie als leidraad bij het lezen van deze gedichten kunnen dienen. Deze dichtbundel, waar op de linker bladzijden de Franse gedichten en op de rechter de Nederlandse  vertalingen zijn afgedrukt, is tot in de puntjes verzorgd.

De inleiding ‘De zwarte bruiloft van Baudelaire’ van Menno Wigman bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat een overzicht van het veelbewogen leven van Baudelaire, het tweede deel gaat op zijn poëzie in. De visie van Menno Wigman op de gedichten van Baudelaire is helder en bruikbaar voor een analyse van Les Fleurs du mal en Le Spleen de Paris. De begrippen ‘extase’ (‘idéal’) en ‘neerslachtigheid’ (‘spleen’) geven volgens Wigman ‘de strijd weer tussen het verdriet en het geluk, tussen de wanhoop en de rebellie, het kwaad en het goede’. Bij Baudelaire is er nooit een keuze tussen de twee polen van een tegenstelling, maar zijn beide in een gedicht manifest. Om het nogmaals met de woorden van Wigman te zeggen: ‘De mens is zowel een engel als een beest, een zondaar als een heilige, die voortdurend tussen twee tegenpolen heen en weer wordt geslingerd.’ Dat het kwade wordt benadrukt en verheerlijkt valt niet te ontkennen. In onderstaand sonnet ‘Twee goede zusters’ is ‘Ontucht’ en ‘Dood’ een zusterpaar:

LES DEUX BONNES SOEURS

La Débauche et la Mort sont deux aimables filles,
Prodigues de baisers et riches de santé,
Dont le flanc toujours vierge et drapé de guenilles
Sous l’éternel labeur n’a jamais enfanté.

Au poète sinistre, ennemi des familles,
Favori de l’enfer, courtisan mal renté,
Tombeaux et lapanars montrent sous leurs charmilles
Un lit que le remords n’a jamais fréquenté.

Et la bière et l’alcôve en blasphèmes fécondes
Nous offrent tour à tour, comme deux bonnes soeurs,
De terribles plaisirs et affreuses douceurs.

Quand veux-tu m’enterrer, Débauche aux bras immondes?
Ô Mort, quand viendras-tu, sa rivale en attraits,
Sur ses myrtes infects enter tes noirs cyprès?

TWEE GOEDE ZUSTERS

Jullie zijn twee lieve zusters, Ontucht en Dood!
Beiden om jullie gulle kus en kracht vermaard,
Heeft jullie in lompen gehulde maagdenschoot
Onder het eeuwige zwoegen nog nooit gebaard.

Voor de zwarte dichter – vijand van huis en haard,
Gunsteling van de Hel en vleier zonder brood –
Houdt elk graf en bordeel ’n beschaduwd bed bewaard
Dat nimmer toegang tot de spijt en wroeging bood.

De baar en het bed met hun lasterlijke gaven
Schenken ons, als twee goede zusters, telkens weer
Een tederheid vol schrik en vreugde vol afkeer.

Wanneer, Ontucht, zal jouw vuige arm mij begraven
En ent jij, Dood – o even schone minnares! –
Op haar besmette mirte jouw zwarte cipres?

Menno Wigman neemt in zijn vertaling een opvallende stap. Van de eerste mededelende zin in het Frans, maakt hij een aanspreking van ‘Ontucht en Dood’. Hij voegt het woord ‘Jullie’ in en zet het voorop, plaatst ‘Ontucht en Dood’ na een komma en voorziet de versregel van een uitroepteken. Tegelijkertijd lost hij het eindrijmprobleem (‘Dood’- ‘maagdenschoot’) op. Het feit dat Baudelaire in de laatste strofe van de Franse versie deze aanspreking presenteert, rechtvaardigt de keuze van Wigman om in zijn vertaling het gedicht in de eerste versregel zo te openen. In de tweede strofe werkt hij de ‘zwarte dichter’ uit met de bijstelling ‘vijand van huis en haard, / Gunsteling van de Hel en vleier zonder brood’. Het is een mooi voorbeeld van de koppeling tussen het al genoemde goede en kwade. In ‘Een tederheid vol schrik en vreugde vol afkeer’ komen we dit contrast tweemaal tegen. Het weglaten van het bepaalde lidwoord in de titel en het schrijven van het woord ‘Hel’ met een hoofdletter, terwijl dat dit bij ‘l’enfer’ ontbreekt, vallen op. Het vertalen van het woord ‘courtisan’ door ‘vleier’ en ‘immondes’ door het meer figuurlijke ‘vuige’ zijn Wigmans persoonlijke keuzes. In de ‘Toelichting bij de gedichten’ wijst hij op het ‘verlangen naar de dood’ en op de symboliek van de ‘mirte’ als ‘de boom van Venus’, het symbool voor liefde, geluk en vruchtbaarheid en de cipres als ‘de boom van de Dood’. In de ‘Verantwoording bij de vertaling’ stelt Wigman dat hij zich bij het vertalen niet op de stilistiek, maar op de inhoud van het gedicht heeft gericht.

De bundel bevat ook vijf prozagedichten uit ‘Le Spleen de Paris’. Een prozagedicht is vooral een Frans negentiende-eeuws fenomeen, dat geliefd was onder de symbolistische dichters. De verzameling gedichten onder de naam Gaspard de la nuit (1842) van Aloysius Betrand (1807-1841) wordt beschouwd als de voorloper van het genre. Petits poèmes en prose Le Spleen de Paris (1862) van Baudelaire, zoals de volledige titel luidt en Les Illuminations (1886) van Arthur Rimbaud (1854-1891) zijn bekende voorbeelden. Prozagedichten zijn korte teksten die voorzien zijn van poëtische stilistische middelen als ritme, rijm en beeldspraak. De in de bundel opgenomen prozagedichten doen niet onder voor de gedichten uit De bloemen van het kwaad en de thematiek is grotendeels dezelfde. Het sterk symbolische ‘De weldaden van de maan’ is van een sprookjesachtige schoonheid en ‘De dubbele kamer’ heeft dezelfde heftigheid als de gedichten uit De bloemen van het kwaad. Het prozagedicht ‘Wees altijd dronken!’ eindigt met: ‘Het is tijd om dronken te worden! / Bedrink je om geen gemartelde slaaf van de Tijd te zijn; / bedrink je altijd maar weer! Aan wijn, aan poëzie of aan / deugdzaamheid, net wat je wilt.’ Deze woorden zijn een waardig en een oprecht gemeend slot van deze fraaie bundel. Ook allerhande kwade en negatieve zaken als ‘Herinneringen, Smarten, Krampen, Angsten, Nachtmerries, Driftbuien en Neuroses’, zoals Baudelaire ze in ‘De dubbele kamer’ opsomt, ziet hij als een vorm van schoonheid: ze zijn als bloemen. Deze bundel is ‘Plus éclatantes et plus belles’ of zoals Wigman dit vertaalt – let daarbij op het woord ‘Nu’ dat toegevoegd is – ‘Nu zoveel mooier dan voorheen’.
____

Charles Baudelaire (2021). De bloemen van het kwaad. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Menno Wigman. Prometheus, 136 blz. € 19,99. ISBN 9789044647389

Geplaatst in Recensies.