Christophe Vansteeland

Christophe Vansteeland (1969) kijkt als een kind met twee ogen dicht. Onbevangen en beladen, naar binnen gekeerd monitort hij binding en verlating. Gedichten verschenen o.a. in Deus Ex Machina, Extaze, De Poëziekrant, Meander, Op Ruwe Planken. Hij werkt aan een bundel.

 

 

Brussel – Maalbeek 2016


In deze metro ademen koffiemonden uit en in.
Twintig koffiemonden even nog in deze metro.

Een kind dat naast me zit, leest Franse woordenschat
in fluogele kolommen geschikt, bedekt met de linkerhand
lidwoorden die dansen op zijn stille lippen

alsof hij stiekem bidt. Ik ruik aan ochtendhanden,
vind een vingerpunt moederzalf en tel de ratten
die dwalen langs de sporen. Montgomery, Maalbeek –

moeten we daar echt naartoe? Tussen het suizen
in mijn oren door hoor ik de stemmen die blij zijn
omdat het dinsdag is. Het vocabulairekind neemt me

bij de hand. Overstappen nu. In Kunst-Wet / Arts-Loi
staan we stil op een roltrap, stil tussen borderlijnen.
Zonder woorden liggen we straks in kransen van licht.

Onze jassen op de grond geslingerd als doelpalen
op een speelplaats in maart. Archiefbeelden
voor het jaaroverzicht. Moesten we echt Benoit?
Zaterdag


Ik was eens een kleine jongen,
verloren in elke ochtend
keken mijn nog lauwe ogen
de dag schoon, mijn vingertoppen
zochten het gifgroen klokuur
dat de nacht in stille stukjes

sneed. Ik droomde van regen
op een zomerkamp, hoorde stoelen
verschuiven, de radio zingen,
verzamelde stemmen onder de deken
terwijl de koffie druppelde

en luisterde naar de ruis in mijn oren
die van diep kwam. Die van diep kwam.
Naar het indrukken van knopjes keek ik uit,
het oranje lichtje dat gauw groen werd.

Als stilstaand water liet ik me insluiten,
een dag volstond. Er was altijd nog de adem
die ik volhield, het rechtlijnige eindige,
een bladrand voor de eerste uren.
Badkamer


In en uit de zongele rechthoek stappen haar blote voeten,
stroopt ze haar slaapkleed af – bakerdood strelen
haar vingers het badwater. De ogen op slot in een masker
van zeep neuriet ze het liedje en roert onder haar oksels,

glijdt tussen haar bovenbenen gespreid alsof ze zichzelf
doormidden zaagt. Warm bloedt. Onder de waterstraal
waaieren haar tenen. In de spiegel vinden we onze blikken.
Gloria, manchi tu nell’aria.

In en uit de zongele rechthoek stappen haar blote voeten,
ze buigt voorover, kust mijn voorhoofd. Door het gekiepte raampje
horen we de buurvrouw hakken in droge tuingrond, iets roepen
naar haar man wiens procesgerichte feedback in slechte aarde valt.

Een plastic bal botst op asfalt. Ze kolkt haar vingers radioactief diep
in het badwater. Heb je het nog warm genoeg? Haar moederborsten blinken,
haar lippen zijn een stille zee – Gloria, manchi come il sale.
Haar woorden zingen in het licht van de laatste uren.
Geplaatst in Gedichten.