Frans Budé – De Tocht

Rodin als dagjesmens

door Martijn Benders




1990. Als onnozele vroege twintiger had ik bij de Slegte drie bundels van Frans Budé op de kop getikt. Vlammend marmer, Een leem en Grenswacht. Ik was onder de indruk – Budé gebruikte de taal op een heel andere manier dan ik gewoon was. Ja, in de vroege bundels van Budé zat, zo herinner ik mij, een zekere elegante zwier en lyriek. Na vijftien verhuizingen ben ik de boeken die ik destijds bezat allang verloren, dus het zou goed kunnen dat mijn geheugen me parten speelt, en destijds was ik ook helemaal van de Lorca, een andere jeugdliefde die niet helemaal beklijfde.

Toen ik op wat latere leeftijd de bundel Maaltijd poogde te genieten knaagde er een gevoel. Hij is het kwijt, dacht ik. Wat het ook was dat die vroege bundels voor mij goed maakten, Budé was het plots verloren, al het leven was eruit.

Nu ligt het nieuwste werk voor me van deze honkvaste dichter. Een standbeeld van Rodin gaat op avontuur in een lang gedicht. Een ietwat kinderachtig concept, met een heel gedegen, ja een verschrikkelijk saaie, gedegen uitvoering. Het resultaat is een dikke bundel met een heel lang, saai gedicht met een kinderachtig concept. Wat jammer!

Het gevoel van eeuwigheid dat hem overvalt, doet de korte duur
van het leven vergeten als hij de gladde stenen de krachtige stroming
van een rivier ziet trotseren. Het witte weefsel van hun sterke aders

Dit alles dus uit de mond van Rodin’s standbeeld ‘de wandelende man’ die de hele bundel door de dagjestoerist uithangt op allerhande bezienswaardige plekken. Kijk hoe weinig lyriek hier nog speelt, hoe beschrijvend het wist te worden: alles moet worden gedicteerd, heel weinig show, heel veel tell. Het heet nu een chic gedicht te moeten zijn uit de schappen van de betere cultuurfabriek, maar een regel als ‘het gevoel van eeuwigheid dat hem overvalt doet de korte duur van het leven vergeten’ herken je eerder uit een schlager. ‘Het witte weefsel van hun sterke aders’ – hoezo weefsel? De vertakte vorm van nerven en aderen hebben juist niets van een weefsel weg, ze lijken eerder op een mycelium, en waarom moet dat ‘sterke’ daar staan? Omdat de verbeelding van de lezer tekort schiet? Omdat de rest van de steen boterzacht is? Idem dito voor de stroming, het is het dicteren van een verhaal, niet het laten zingen van de taal zelf.

Terug op het plein ziet hij dat de klok onveranderd dezelfde tijd
aanwijst, het gezelschap op een van de terrassen heeft nauwelijks
een teug van het bier genomen. Er is iets in deze stad dat blijft,

rust heeft zich voldaan over het geheel gevleid, schept eeuwigheid.
Hij besluit kriskras straat in, straat uit te lopen, het beurt hem op,
hij kiest afslagen die hij normaal zou vermijden, en lijkt te verglijden

in de tijd. Beelden dringen zich op, vullen hem met weemoed.
Portieken, portalen, muurankers, balkons, balustrades – hij meent
alles al eens eerder gezien te hebben in steden die hij achter zich liet.

Nee maar, denk je dan, wat een wonderlijk avontuur beleeft dit standbeeld in het hoofd van Frans. We hebben het allemaal al ooit gezien. We sommen de boel nog eens op. We zetten het in een boekje neer. Mijn hemel, waar is de echte Frans Budé gebleven, de man die nog wel eens iets lyrisch durfde zeggen, die niet alles voor de lezer uit hoefde spellen?

Iedereen kent het fenomeen van de muziekband wiens eerste twee platen geweldig zijn, waarna de band langzaam verzinkt in een soort formeel meer-van-hetzelfde, alsof ze tot in lengte der dagen een trucje blijven herhalen dat ooit werkte, maar iedereen weet dat het leven eruit is. Dat fenomeen bestaat bij elk creatief beroep. Een interessante vraag is dan: wat gebeurt hier precies, waarom is ineens al het leven eruit? Het antwoord op de vraag is denk ik in 95% van de gevallen: gewoonterecht en gemakzucht.

Waarom zou je je elke bundel opnieuw enorm inspannen om iets groots te maken als het je toch al lukte een ‘plekje’ te veroveren in de factuurmap van een ‘grote uitgeverij’? Hoe ongelofelijk vermoeiend zo’n leven moet zijn – ik denk dat het gros van de schrijvers en kunstenaars eenvoudigweg de energie voor zoiets ontberen. De levenskracht zit in de eerste werken, daarna is het herhalen en rumineren geblazen. Om tot iets anders in staat te zijn zul je onbekende energiebronnen moeten aan zien te boren.

Dat die gemakzucht er bij Frans Budé zit, zie je niet enkel aan zijn werk. Waar is zijn protest tegen het afkalven van het fonds van Meulenhoff met verschrikkelijk kinderachtige gedichtjes en bloedeloze commercie van een Lars van der Werf? Vroeger heette zulke stilte misschien ‘chic’ te zijn in calvinistischer tijden, maar ik ben bang dat dit ‘zwijgen der babyboomers’ door mijn generatie en generaties eronder heel anders wordt uitgelegd. Waar is je liefde voor poëzie als dit je niet aan het hart gaat? Waarom zien we geen woeste Budé tekeer gaan tegen deze erosie?

Het antwoord staat denk ik al ergens hierboven. Frans Budé is op vakantie, in de cultureel correcte vorm van een standbeeld van Rodin. De verzen die hij neerpent doen me helaas denken aan de eeuwige vakantiefilms die ik van de generatie boven mij zo goed ken:

Herinneringen aan de tocht stapelen zich op, verzinken na elkaar.
Straten en pleinen, parken en landerijen brokkelen af in zijn geheugen,
de spetterende sterren van onderweg zijn een voor een gedoofd.

Het was ongetwijfeld een fijne vakantie. Maar ik vrees dat jongere generaties toch iets minder interesse hebben in de geweldigheid van zulke avonturen en liever zouden zien dat iemand eens zijn mond opendoet over wat rond hem heen gebeurt. De spinnenwebben in het geheugen nog eens afstoffen is misschien leuk voor de kleinzoon, maar ik zit als lezer liever niet bij iemand op schoot.
____

Frans Budé (2021). De Tocht. Meulenhoff, 128 blz. € 20,00. ISBN 9789029094436

Geplaatst in Recensies.