Peter Doms

Peter Doms (Antwerpen, 1958) heeft de laatste 40 jaar hoofdzakelijk in de financiële sector gewerkt met universitaire diploma’s in de rechten, criminologie en corporate finance. Momenteel werkt hij als risk & compliance manager bij de Vlaamse overheid. In het verleden publiceerde hij onregelmatig gedichten en verhalen in o.a. Yang, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2013 behoorde hij tot de top-20 van de Turing Gedichtenwedstrijd. Ook leverde hij bijdragen voor de cultureel-maatschappelijke tijdschriften Streven en Kultuurleven.

 

foto Margot Doms

 

Gebrek aan humor

In humor heb ik nooit geoefend. Ik geef eten aan konijnen
maak de bedden op, zorg dat er ’s middags iets op tafel staat
en betaal op tijd de rekening. Zo ben ik volmaakt anoniem.

De gezinnen zie ik wandelen. Vader, moeder, een paar kinderen
die vrolijk langs het pad lopen. Pas op! Val niet in het water!
Zij kijken samen, geven elkaar een hand. Zo zijn ze volmaakt anoniem.

Onder de sterren wonen mensen die rusteloos en vruchteloos
die tevergeefs en vol medelijden met zichzelf
en soms ook met de anderen, praten over niets bijzonders.

We doen ons best, althans dat mogen we toch hopen.
Elke dag is een goedgekeurd verhaal. Misschien is elke dag wel een stap
in de verkeerde richting. Naar een volmaakt eindpunt, niets bijzonders.
De geluksbrenger

In een vorig leven was ik een anonieme weldoener.
Ik knipte kortingsbonnen, stak ze in een envelop
en stopte ze in de bus bij mensen die behoeftig waren.
Niemand heeft dit ooit geweten.

Mensen gelukkig maken: je moet er echt voor gaan.
Het is geen hobby als een ander, je moet ervoor
.     .    dag en nacht aan anderen denken;
    . .    de kaas van je brood laten eten;
    . .    af en toe een glas laten vallen.
Dat laatste omdat men zegt: scherven brengen geluk.

Ik hoor stemmen van mensen die denken dat ze gelukkig zijn.
Mensen die geen nood hebben aan de last van de wereld
die lachen met hun stem, met hun handen, met hun ongeloof.
Die lachen met de Melkweg en zeggen: niets is minder waar.
Waar ik aan denk

Ik wil niet van jou zwijgen, Johanna.
Ik heb er lang over nagedacht
met respect voor jouw lijf en leden
glooiend als woestijnzand. Bij wijze van spreken.

Johanna bij het raam, Johanna op het bed
Johanna in de velden, de zon op lijf en leden.
Zoiets doet wat met een mens.
Ja Johanna, daarover heb ik nagedacht.

Mag ik van jou zingen, Johanna?
Je weet: mijn repertoire is beperkt
maar beter dan te zwijgen
de plankenkoorts der liefde. Stuntelig maar oprecht.

Johanna legt haar armen rond mijn naakte ziel.
Johanna eet mij op met haar geheime glimlach.
Als Johanna wil, kan zij mij wurgen tot ik klaarkom.
(Daar moet ik nog eens over nadenken, Johanna.)
Nooit geweest

Ik kom op straat een man tegen en vraag hem of hij een moordenaar is.
Hij denkt na. (Ik stel mijn vragen altijd zonder omweg
en krijg meestal een eerlijk antwoord.) Hij zegt neen.

Het is verbazingwekkend hoeveel mensen mijn vragen appreciëren.
Eindelijk iemand die hen ernstig neemt, iemand die de grote kwesties
over leven en dood durft aan te raken.

Zodat ze niet moeten wachten tot de 3 minuten reclame voorbij zijn,
zodat ze onmiddellijk in beeld komen en zonder omweg kunnen zeggen:
neen, ik ben geen moordenaar. Ik ben het nooit geweest.

Er is veel moed voor nodig je zo bloot te geven.
Mensen zeggen liever niets. Ze zwijgen liever dan te
moeten toegeven dat ze geen moordenaar zijn.

De zon schijnt over de velden. Een meisje fietst voorbij.
Heel snel kan hij haar, heel wild kan hij zich.
Het is zo gebeurd. Hij is het nooit geweest.

 

Geplaatst in Gedichten.