In memoriam Eric van Loo

door Hans Puper, Janine Jongsma en Alja Spaan

 

 

Op 12 mei nam Eric afscheid van het leven in het bijzijn van zijn familie. Hij ging lichamelijk steeds verder achteruit en moest steeds opnieuw dingen opgeven waarvan hij hield. Hij kon niet meer. Het moet voor zijn vrouw Iris, kinderen en verdere familie zeer zwaar zijn geweest hem zo te zien lijden. Ik wens hen heel veel sterkte met dit grote verlies.

Op zijn tijdlijn van Facebook, ook op 12 mei, stond een gedicht dat ik achteraf lees als een afscheid. Hij had het gekregen van een vriend, schreef hij. Onder het gedicht stond een foto van een eindeloze geploegde akker op de Lochemse Berg. Ik citeer het gedicht:

HET VEGE LIJF

voren buigen naar de einder
waar de lokale meester
een verdwijnpunt heeft belegd
zodat we nooit zullen weten of
het gras aan gene zijde
daadwerkelijk groener is
of dat ook daar een net gekamde akker
ligt te wachten
op een toevallige passant
die slechts het vege lijf
te veeg het lijf

Na het overlijden van Joop Leibbrand in 2015 nam hij de Klassiekers over en ik de recensierubriek. Ik kende hem toen alleen nog van naam; op een gegeven moment kreeg ik een mailtje met de vraag of hij ook eens een recensie mocht schrijven. Natuurlijk mocht dat, maar altijd met een kleine slag om de arm. Iedere aankomende recensent schrijft er eentje op proef. Die doorstond hij glansrijk, ik was blij met hem.
Recensiebundels werden door uitgeverijen naar mij gestuurd (tegenwoordig naar Janine Jongsma, ik ben geen redacteur meer) en ik verdeelde ze onder de recensenten. Niet alles is geschikt natuurlijk, maar er bleven ook bundels liggen die ik wel heel graag besproken wilde zien. Ik nam daarom regelmatig een nieuwe recensent aan, maar dat betekende dat de redactie ook steeds meer tijd in beslag nam. Toen het teveel werd, bood Eric aan mede-redacteur te worden. Dat was een begin van een goede en intensieve samenwerking die liep van 2016 tot eind 2019. Overigens verliep die als gevolg van beider betrokkenheid niet altijd zonder strubbelingen, maar we kwamen er altijd uit; we mochten elkaar. De rubriek verbeterde na zijn komst. Hij had goede ideeën, was praktisch en zorgvuldig. Indien nodig wisselden we van gedachten over recensies die we redigeerden en vaak leidden die tot discussies over poëzie. We verschilden regelmatig van inzicht; bundels die ik goed vond kon hij heel slecht vinden en andersom. Het leidde tot boeiende mailwisselingen en voor de Meanderrubriek zijn verschillende voorkeuren van recensenten alleen maar goed: dat leidt tot volledigheid.
Toen ik hem voor het eerst zag, bleek hij al last te hebben van zwakke spieren en vermoeidheid. Het was schrijnend om te zien dat het bij iedere bijeenkomst slechter bleek te gaan; hij belandde al snel in een rolstoel.
Toen Rob de Vos in 2018 overleed, werd Alja Spaan hoofdredacteur. Er moest een nieuwe site komen, omdat vrijwel niets van de oude nog bereikbaar was; alleen Rob had de codes en wist de weg in het ingewikkelde geheel. De noodzaak die ook aan anderen te geven en hen in te wijden in het gebruik, beaamde hij volmondig, maar haast maakte hij niet: hij beschouwde de website als zijn kind. Begrijpelijk, vanaf 1995 had hij hem van kleins af opgebouwd.
Het betekende wel dat er goed moest worden nagedacht over beleid, de inrichting van de nieuwe site, de frequentie van verschijnen van de verschillende bijdragen, de archivering van de Klassiekers en recensies et cetera. Veel hebben we aan Eric te danken; hij combineerde een analytische blik met volharding. Hij ontwierp onder andere de lay-out van de Klassiekers en recensierubriek; hij bedacht ook een manier om het archief zo op te zetten dat je er makkelijk in kunt zoeken.
Het ging gaandeweg slechter met hem. In juni 2020 stopte hij met de redactie; Janine Jongsma was toen al redacteur. Zijn laatste recensie verscheen op de eerste van dezelfde maand, over ‘Soms kijkt de aarde me aan’ van Jabik Veenbaas. Ook dat was een goedgeschreven recensie – voor mij was dat vanzelfsprekend.
Het werd steeds stiller rond hem. Iets wat hij tot het einde bleef doen, is het schrijven van gedichten die hij publiceerde op Facebook. Ik gun hem graag een postume bundel. Zijn gedichten zijn het waard.

Vaarwel, Eric.

© Hans Puper

 

In het najaar van 2019 nam niet Eric het stokje over van Hans Puper als (eind)redacteur van de rubriek recensies, maar ik. Eric was toen al ziek en zodoende werd hij mijn rechterhand in plaats van dat ik logischerwijze de zijne werd. Hij kweet zich van die taak met verve. Als je intensief samenwerkt (de mails vlogen dagelijks heen en weer in een rap tempo) dan leer je iemand al snel persoonlijk kennen. Tussen ons klikte het erg goed. We lazen elkaar ook tussen de regels door.

We vonden elkaar in ons beider nauwgezetheid om goed werk te leveren. Ik deelde zijn interesse voor de opmaak in WordPress en we werden partners in poetry, we hielden van dezelfde soort poëzie. Hij kon direct zijn, maar ook voorzichtig in zijn benadering waar het gevoelige onderwerpen betrof. Ik complimenteerde hem vaak om zijn grote oplettendheid, Eric zag werkelijk nooit iets over het hoofd. Verbazingwekkend precies was hij. We werden elkaars klankbord betreffende het werk en toen hij er helaas mee moest stoppen vond ik dat heel erg, maar uiteraard begrijpelijk. Het frustreerde mij enorm dat iemand die nog zo veel in zijn mars had, gedwongen werd om te stoppen door zijn fysieke gesteldheid.

Toen hij meer en meer verzwakte liet hij Meander – tegen zijn zin – volledig los en richtte zich des te meer op de poëzie. Hij las als het kon poëzie, het bood hem troost en houvast. Ik weet nog dat hij erg onder de indruk was van de laatste bundel van Esther Jansma. We hebben daaruit samen nog een gedicht ontleed dat hem raakte. Maar hij schreef zelf ook hele fijne pure gedichtjes die hij op Facebook plaatste. Ik noemde ze zijn ‘miniatuurtjes’ omdat ze soms erg kort waren en gaf aan dat deze bundelwaardig waren. Hij was erg blij met de vele positieve reacties op Facebook onder zijn gedichten. Een mooi voorbeeld:

NEWTONIAANS

Noodgedwongen doe ik steeds minder
wat langzamerhand went. Maar de geest blijft
hinderlijk aan zijn tralies rukken. Wil denken,
lezen, schrijven. Ik werp hem af en toe iets toe.

Een gedicht, een ongelooflijke podcast,
een cryptogram. De gedachtendrang
lijkt niet te stuiten. Ik word het moe
alsof ik zonder denken niet besta.

Kijk eens naar buiten, laat de tijd passeren
auto’s op de rondweg, een uitgelaten hond.
De wet van de traagheid valt te leren
bewogen te worden door al wat beweegt.

Dit voorjaar waren we allang geen collega’s meer, maar vrienden. Hij sprak vrijuit over zijn situatie en wat het met hem deed, hoe immens diep het hem raakte, maar meer nog hoeveel zijn ziekte beslag legde op zijn gezin en op zijn omgeving. Typisch Eric.
Wat hem niet vermoeide waren mijn mailtjes waarin ik hem iets vertelde over het werk of een anekdote stuurde. Hij genoot van ‘die blik in de keuken’ zoals hij het noemde. En bij mijn allereerste geschreven Klassieker zat hij op de voorste rij om mij te complimenteren. Ja we waren loyaal naar elkaar. Eric, je was een bijzonder en integer mens. Ik ga je missen, je ziel heeft geen last meer van je lichaam, laat ‘de wet van traagheid’ nu maar los en vlieg.

© Janine Jongsma

 

 

De eerste keer dat ik met Eric contact had, was, meen ik, naar aanleiding van zijn recensie van een dichtbundel van mij. Echt contact, bedoel ik, persoonlijk.
In 2017 schreef hij hoe ik in één adem mijn poëzie schreef en hoewel het een goede recensie was, geloofde hij niets van dat snelle, intuïtieve dat ik had. Halverwege stelt hij, ‘misschien moet je haar poëzie dan ook in één adem lezen’.

Dat kritische, vragende, wantrouwige zelfs, had hij met meer dingen. Zo was hij niet gerustgesteld toen ik Rob de Vos opvolgde en al helemaal niet toen ik mezelf hoofdredacteur noemde. We zijn allemaal gelijk, zei hij, in een van die lange telefoongesprekken die hij met me voerde. En ik was, iets dat ik hem nooit bekende, nerveus bij het verschijnen van zijn naam in mijn schermpje.

Toch zijn het juist die vragen en dat kritische dat hem voor mij innam; hij nam me serieus, hij wilde oprecht weten hoe ik werkte, wat ik dacht, hoe ik dat voor me zag. En na mijn uitleg, iets dat ik altijd verfoei, waren er ook de complimenten.

De laatste keer dat ik met Eric contact had, echt en even persoonlijk, was naar aanleiding van mijn oproep aan alle Meandermedewerkers om te komen tot een (kort en bondig) antwoord op de vraag ‘wat maakt een gedicht goed?’. Hij mailde me 6 mei jl. dat hij zijn best ging doen op ‘de vraag die hem al vanaf zijn allereerste gedicht bezighield’. Hij wist alleen niet, voegde hij eraan toe, of het hem zou lukken.

Ik was blij voor hem dat hij in de top 100 van De Gedichtenwedstrijd terecht kwam na zijn jarenlang gemopper op de jurering, dankbaar dat hij na jaren zeuren van mijn kant eindelijk in Meander wilde staan met zijn eigen werk, geroerd door al zijn publicaties op Facebook.

Het is ondoenlijk alle mails met hem terug te lezen, ik kan het nu ook niet. Hij leerde me dat ik mijn mails moest ondertekenen, een slordigheid dacht hij, dat ik dat niet deed. Zijn ‘eric’ werd een e, eerst met punt, daarna zonder. Mijn niets werd af en toe een A’tje.

Op Facebook deelde ik mijn gedicht van de dag en de tekst van Highlands van ‘onze’ Bob Dylan met daarin de strofe

Well my heart’s in the Highlands wherever I roam
That’s where I’ll be when I get called home
The wind, it whispers to the buckeyed trees in rhyme
Well my heart’s in the Highlands
I can only get there one step at a time

Dat hij daar is, dat tenslotte.

 


het dragen van zwart

De hele nacht doe ik over zijn dood en de worsteling vooraf.
De stem, het lijf, het niet meer kunnen, dat

hele vermoeiende en pijnlijke proces zoals een lang gesprek
door de telefoon dat opgewekt begon en dan

naar beneden liep in geluid, nog even een gefluister, en dan
stilviel. De hele nacht strek ik mijn ledematen

om te voelen hoe het is als je dat niet meer kunt, ook schurk
ik tegen de ander om de warmte door te geven die

niet meer teruggegeven wordt. Ik probeer weg te kruipen in
die contouren, alleen omdat hij dat

nooit meer zal kunnen: de versvorm maar ook het idee, het
verlangen maar ook de berusting.

De afmetingen van een overkant passen hem nu precies, hij
schikt zich, ik doe alsof.

© Alja Spaan

 

foto Eric (c) Babs Witteman, serie Eijlders-dichters
andere foto’s (c) Alja Spaan

Geplaatst in Column.