Claude van de Berge – Gebed tot de leegte

Het omarmen van leegte en stilte

door Johan Reijmerink




In zijn essaybundel Mensen voor dag en dauw (1976) brengt Huub Oosterhuis de belevingswereld van Meister Eckhart in kort bestek voor het voetlicht. Deze mysticus deed afstand van het gangbare spreken over God. De stijlfiguur waarin hij zijn godservaring het meest getrouw vertolken kon, was de ontkenning: ‘Wie van God weet dat Hij ongekend is, die kent God.’ Mensen hebben de eeuwen door in al hun sprakeloosheid naar het goddelijke, naar God gezocht. Voor Eckhart is de weg tot de geboorte naar de door God vervulde en bewoonde mens de ontlediging. Dat betekent afgescheiden worden van jezelf. Ontlediging is afstand doen van alle omhulsels als bezit, stand en wijsheid. Ze betekent ontvankelijkheid, waarin de voleindiging van het mens zijn ligt. Daarom meent Eckhart dat het allerbeste voor ons mensen is om het allerstilst te staan en het allerleegst te worden. Die stilte, die leegte is een opengaan, een geboorte. Wie wordt in wie geboren? God en ik worden geboren in elkaar, zoals geliefden worden geboren in elkaar. God is voor Eckhart een vriend. Deze geboorte is niet één moment, maar een levenslang proces. Wat Claude van de Berge in zijn nieuwe bundel Gebed tot de leegte (2021) tracht te verwoorden, is een vergelijkbaar mystiek proces van ontlediging en verstilling. Hij wil zodoende de sprakeloosheid trotseren, de grenzen van de taal overschrijden en in verbinding komen met zijn oorsprong.

Aan de twee motto’s die Van de Berge kiest voor zijn nieuwste bundel, laat zich zijn thematiek aflezen: ontlediging en verstilling, overgave en bevrijding. De motto’s van Meister Eckhart ‘Aan alle geschapen dingen bespeurt men de schaduw van het niets’ en die uit de Bhagavad Gita ‘Ik ben het woord’ wijzen beide in de richting van het mystieke. Ik zou Van de Berge op grond van zijn eerdere bundels, maar zeker ook na lezing van deze nieuwe bundel een hogepriester van de seculiere taalmystiek willen noemen. Hij identificeert zich met, wenst op te gaan in leegte en stilte en weet zich omarmd door een oneindige eindigheid. Daarvoor kiest hij het arctische landschap als decor. In een dergelijk landschap is de kans het grootst dat een mens zich opgenomen weet in een oneindigheid die doet herinneren aan zijn oorsprong en toekomst. De kosmologische vereniging van vloedlijnen, sneeuwduinen, sterrenstelsels en spiegelende wateroppervlakten versterkt dit besef.

De bundel kent een doorgecomponeerde opbouw. Te beginnen met het gedicht ‘Poëtica’, dat dient als preludium tot de andere gedichten. Daarin spreekt de dichter van een dialoog tussen een ‘je’ en een ‘wij’. De ‘je’ is onder meer ‘de roerloze slaap van een lege ruimte, die doordringt tot in / de slaap van onze ogen.’ Deze ‘je’ opent voor ons het licht van de dag en dooft het weer. Hij omvat ons: ‘Neerzittend in je wezen dooft onze gestalte. / Zie , de zwanen van de vlakte staren vanuit hun witte verte / in het waaien van de ruimte.’ Het is duidelijk dat we ons in een hemel- en wereldomspannende ruimte bevinden waarin de ‘jij’ de scheppende geest is die dat alles veroorzaakt, bijeenhoudt en beweegt. De zwanen in dit landschap onderstrepen het eeuwigheidsdecor waarbinnen we ons bevinden. De ‘wij’ verlangen onder die conditie naar ‘niets anders van / jouw stilte dan een woord zonder bestemming en zonder / herinnering.’ Een verlangen dat aan de menselijke woorden en herinnering voorbijgaat. In de slotstrofe staat de poëtica van Van de Berge verwoord:

Want de wonderlijke werelden die onzichtbaar zijn voor
het menselijke oog en zich slechts openbaren aan
de allesdoordringende blik van het gedicht,
bewaren hun geheim.

In de poëzie ligt voor hem de sleutel tot het ontsluieren van het geheim dat achter de taal ligt. Daaraan te raken is de vermetele poging die Van de Berge opnieuw in deze bundel onderneemt.

Er volgen na dit openingsgedicht een reeks van gedichten die uit meerdere delen bestaan. In twee- en drieregelige strofen van ongelijke regellengte, niet rijmend maar door assonantie en alliteratie bijeengehouden, zet de dichter zijn taalmystieke zoektocht uiteen. Daarbij bedient hij zich van omkeringen, paradoxen en cirkelredeneringen om zijn doel te bereiken.

De stilte dient zich als voorecho aan: ‘Zwijgend namen wij plaats bij het water, tot de verschijning / van het verlangen onze geduldige gestalten van alle vorm / beroofde.’ In deze eerste voorecho vloeit de schoonheid van de liefde ‘open in de leegte / van ons diepste mysterie. // O, geheim van het eindeloze.’ Hierin weerklinkt de ‘jij’ die de schepper van dit onmetelijke heelal is. De hoop leeft bij de ‘wij’ dat ‘de ruimte zich zou herhalen in / onze stem’. Het blijft de vraag wie de ‘wij’ hoort ‘in deze stilte waarin geen woorden bestaan’. Maar er is ‘een verborgenheid die niet verborgen is. / Een openbaring die niet geopenbaard is.’ De ‘wij’ bewegen zich te midden van de vloedlijnen over ‘de roerloze vlakte van de avondbedding. / Glashelder en leeg, met de ogen van hen die niets verlangen / te bezitten.’ Aan het einde van het eerste gedicht uit de cyclus ‘De voorecho van de stilte’ wordt het duidelijk dat onze heel makende verblijfplaats heet: ‘tempel van het gebed tot / de leegte, daar waar de schaduw van de avondvogels strijkt / over het aangezicht.’ Daar worden de ‘oneindige woorden van de leegte (…) gesproken.’ Van de verre oever, ‘aan de andere zijde van de herinnering brachten we (…) de heelalvormige / leegte mee van een verdwenen echo, als dat wat niet / het einde vindt in zichzelf.’

Het woord krijgt stem en verwijst naar het geheim van wat nog niet geschapen is:

De onbeweeglijke oeverstilte van de grote bewegingloosheid.

En geen zang, en geen woord welt op, want verlangen en vervulling
zijn versmolten en schenken een allesdoordringendheid aan
een leegte zonder weerspiegeling.

De ‘wij’ gaan door

een stilte zonder einde, tot we in de geheime
diepte van haar wezen een zang hoorden.

Alles wat het heelal in zich verborg aan mysterie en verlangen
vloeide in de zang open uit zijn verborgenheid.

Het leek op een gebed, een leegte. Het lijkt iets onvoorstelbaars in de arctische kristalzon. Op de rand van de leegte rust de zwaan en drinkt daaruit. Over vele lichtjaren zullen we vernemen in onszelf de dood van de leegte.

Zo nu en dan levert de dichter tussendoor commentaar op de voortgang van het proces: ’Ga en zoek naar wie de herinnering aan het eindeloze in / jou opwekt en vertrouw elkaar toe wat je slechts / zwijgend kunt toevertrouwen [aan elkaar].’ Wat ons vanuit de oneindigheid aan echo’s toevalt, is te beschouwen als ‘de echowijdte van de droom’. Bij dit alles weten we dat de stilte leidt naar de dood, maar dood is leven en leven is dood. Het is aan ons het licht te omarmen en de horizon van de liefde op ons te laten schijnen: ‘Ik verlangde dwalend in / mijn droom naar de horizon.’ Dat laat zien hoezeer er bij het woord sprake is van een universele vloeibaarheid die verwijst naar een astrale schoonheid van de leegte.

Vervolgens wordt het lied van de leegte in al zijn facetten uitvoerig bezongen. Na de Big Bang heeft het universum een korte periode van exponentiële expansie ondergaan. Dit noemt men de inflatietheorie. In deze fase richt Van de Berge zich op zijn kosmologische perspectief als hij spreekt over de beddingen van de sterrenstemmen om langs die weg over de saiwato, de ziel, de wereldziel te spreken:

En opengespleten bogen we ons over het water en staarden
lang en roerloos naar ons uitgevloeide gezicht, als in
de klankdoorschijnendheid van ene heelal waar we
spreken zonder bestaan.

Hij eindigt met de ‘Aanroeping van de leegte in een wijde ruimte voor solostem.’ De onbegrensde stroom van de ruimte wordt op de heuvel door / onze silhouetten ontraadseld. Herkenning met jij volgt: ‘En steeds verder reikt de stilte in ons, als de eindeloze / verwijding in het oog. // Als we vragen: “Wie ben je?”, antwoord je: “Ik ben jou, jou, jou.”’ Deze kosmologische, mystieke route voert de jij uiteindelijk naar de gewenste leegte en stilte die voorwereldlijk, oorspronkelijk, buitenmenselijk en goddelijk te noemen is.

Van de Berge vraagt veel van zijn lezers. In zijn reiken achter de horizon van de taal komt hij in het gebied van het onuitsprekelijke, het religieuze, het mystieke. Wat Eckhart in zijn zoektocht naar de vereniging met het goddelijke wel deed, maar Van de Berge in zijn taalmystieke verkenningen niet doet, is op zijn weg naar de ontlediging het personaliseren van zijn relatie met het andere, de Ander. Omdat Eckhart dat wel doet, bestaat voor de lezer meer kans op een beleving van toenadering en zich opgenomen voelen in zijn oorsprong. In die zin heeft Van de Berges seculiere taalmystieke verkenning niet alleen iets onpersoonlijks, maar ook iets wat toegesloten blijft, iets wat voor mij warmte mist. Daarmee blijft het vriendschapsbesef dat Eckhart je aanreikt, in deze poëzie achterwege.
____

Claude van de Berge (2021). Gebed tot de leegte. PoëzieCentrum, 70 blz. € 20,00. ISBN 9789056551896

Geplaatst in Recensies.