De recensent als scherprechter. De Gideonsbenders

door Hans Puper

© Rob Bosma

Het einde van de crisis is in zicht, de zomer is begonnen en daarom is het tijd om Martijn Benders eens in het zonnetje te zetten. In Meander schreef hij op 26 april een recensie over Beeldenraper van Carl Norac. Dat lijkt lang geleden, maar hij doet daarin een paar opmerkelijke uitspraken die het belang van de recensie overstijgen. Oordeel zelf:

‘Beeldenraper’ is een schitterende bundel die elke liefhebber zou moeten aanschaffen. Verschijnen er elk jaar vijfhonderd bundels dan moet een goed recensent de lezer kunnen vertellen welke tien of misschien twintig van die vijfhonderd bundels hij echt aan moet schaffen. Dat betekent in de praktijk dat een goed recensent slechts in tien of twintig gevallen van de vijfhonderd een positieve, aanbevelende recensie schrijft. Dan heb je het dus over 1 op de 50 dan wel 1 op de 25 recensies die positief gaat uitpakken – bezien dat dit al mijn derde positieve meanderrecensie is dit jaar zit ik dus zwaar boven dat gemiddelde, wat betekent dat ik moedwillig te positief recenseer.’

Zwaar boven het door Benders benoemde gemiddelde inderdaad, want hij had van januari tot en met het moment dat hij dit schreef zes recensies gepubliceerd. 50 % positief. Hij is volgens zijn eigen normen dus geen goede recensent. Of wel, maar dan een onoprechte. Hij zegt immers moedwillig positief te recenseren, hij meent niet wat hij schrijft. Tussen de regels moet je lezen dat hij Beeldenraper niet bejubelt, maar een waardeloze bundel vindt. Of toch niet? Hij vervolgt:

Dat [ik moedwillig te positief recenseer] strookt echter niet met de geluiden die ik te horen krijg – ik zou te negatief recenseren. Dat komt omdat er in Nederland een ‘recensiecultuurtje’ is ontstaan waarin men van die vijfhonderd bundels er 490 positief bespreekt, besprekingen die je enkel zo kunt lezen zoals de Russen vroeger Pravda lazen: je houdt ze tegen het licht, je draait ze 180 graden om, en hier en daar zie je een klein tipje van wat de recensent misschien echt had willen zeggen.’

Ik heb zijn recensie uitgedraaid en verschillende malen ondersteboven tegen het licht gehouden. Ik ben tot de voorlopige conclusie gekomen dat hij Beeldenraper waardeloos en de vertaling schitterend vindt.

We gaan verder:

Wie van de 500 bundels er 490 een koopadvies geeft met een positieve recensie is niet bezig met literatuurkritiek, of zelfs maar met commerciële recensies, want het enige gevolg van zo’n insteek is dat niemand meer recensies gaat lezen en niemand meer dichtbundels gaat kopen. Nee, dit kan enkel het gevolg zijn van het vaker door mij gesignaleerde omgekeerde Flynn effect.

Het omgekeerde Flynn effect. Benders is niet van de straat, dat is wel duidelijk. Hij gebruikt weliswaar het woord ‘insteek’, dat in dezelfde categorie valt als de clichés ‘zich verhouden tot’ of het werkwoord ‘schuren’, maar toch: hij is een erudiet, scherpzinnig man en een verdienstelijk dichter bovendien. Ik durf zijn observatie daarom niet te betwisten. Maar dat 490 van de 500 recensies positief zijn, kan niet kloppen. Het zijn veel er veel minder, maar dat valt alleen niet op. Je moet positieve recensies immers lezen ‘zoals Russen vroeger Pravda lazen’.

Maar dat alles terzijde. Wat ik interessant vind is dat Benders hier een klassieke visie op de taak van de recensent propageert: zij of hij moet optreden als een strenge poortwachter van de Zangberg. De toelatingscriteria veranderen echter voortdurend. De Gids werd in de tijd van Potgieter naar de kleur van de omslag de Blauwe Beul genoemd; een zeer belangrijk criterium bij de beoordeling van literair werk was het juiste nationalistische gehalte. Legendarisch zijn de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel tegen verbeeldingloos burgerlijk gezwater. Ter Braak en Du Perron richtten zich tegen het onpersoonlijke in de poëzie – de opvatting dat je van een gedicht kunt genieten als van een prachtig Perzisch tapijt: je hoeft daarvoor de dichter of wever niet te kennen. Bertus Aafjes maakte zich onsterfelijk belachelijk met zijn bespreking over experimentele poëzie, met name die van Lucebert. Zijn criteria kun je makkelijk afleiden uit de zin die hij ongetwijfeld glimmend van trots aan zijn vrouw heeft voorgelezen: ‘dit te moeten lezen geeft mij enkel nog een sensatie alsof de menselijke hersenmassa, moedwillig afgesneden van de voedingsbodem van de ziel en zelfstandig geworden, op een dierlijke wijze gemetamorfoseerd is tot een brulkikker die luidkeels kwaakt in de tropennacht.’ Exit Aafjes, er was geen mens die hem nog serieus nam. En verder? Komrij wilde vooral een geslaagde cabaretier zijn en Martijn Benders wil lezers vertellen welke boekjes zij moeten kopen om voor vol te worden aangezien.

Maar de tijden zijn veranderd, recensenten zijn geen goeroes meer. Als ik een zeer negatieve bespreking lees over een bundel van Gerbrandy en een uiterst positieve over een bundel van Martijn Benders, dan koop ik die van Gerbrandy. Dat betekent niet dat ik Benders slecht vind, maar ik vind Gerbrandy gewoon beter en interessanter. Daarmee wil ik niet zeggen dat recensenten er niet toe doen. Ik heb veel waardering voor helder geschreven recensies met een goed beargumenteerd oordeel, of ik het daar nu mee eens ben of niet. Goede recensies scherpen mijn gedachten. Daarnaast hebben die vele recensies nog een ander voordeel: je blijft op de hoogte van wat er verschijnt. Lezers kunnen zo hun eigen keuzes maken.

Geplaatst in Column.