De favorieten van Wim Platvoet


In de serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Wim Platvoet, recensent.

THE SNOW MAN

One must have a mind of winter
To regard the frost and the boughs
Of the pine-trees crusted with snow;

And have been cold a long time
To behold the junipers shagged with ice,
The spruces rough in the distant glitter

Of the January sun; and not to think
Of any misery in the sound of the wind,
In the sound of a few leaves,

Which is the sound of the land
Full of the same wind
That is blowing in the same bare place

For the listener, who listens in the snow,
And, nothing himself, beholds
Nothing that is not there and the nothing that is.



Wallace Stevens (1879-1955) heeft het gedicht The Snow Man voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Poetry van oktober 1921 en daarna opgenomen in zijn debuutbundel Harmonium, verschenen in 1923 en daarna een aantal malen herdrukt. Het is een gedicht dat zich op het eerste gezicht makkelijk laat lezen en ook de betekenis ervan lijkt voor een koele geest niet al te ingewikkeld te zijn, zoals veel poëzie van Wallace Stevens.
Toch heeft het gedicht velen aangezet tot uiteenlopende beschouwingen. Er is een heel boek aan gewijd, met als titel de laatste woorden van de eerste regel (Mind of Winter), en een boek met als titel de laatste vier woorden (The Nothing That Is). Het wordt in vrijwel alle boeken over Stevens besproken en er zijn vele artikelen over geschreven. Vooraanstaande literatuurcritici uit het Engelse taalgebied hebben er aandacht besteed, zoals Frank Doggett, Helen Vendler en Harold Bloom. De meeste aandacht is hierbij uitgegaan naar de twee slotregels van het gedicht, die in de bekende helderheid van Stevens raadselachtig klinken. Zelf heb ik me ook gewijd aan een klein boekje over dit gedicht.


DE SNEEUWMAN

Men moet hart hebben voor de winter
Om naar de vorst te kijken en de takken
Van de pijnen met een korst van sneeuw;

Men moet lang hebben gekleumd
Om de jeneverbessen ruig van ijs te zien,
De sparren bars in het veraf blinken

Van de januarizon, om niet te denken
Aan wat al ellende in de ruis van de wind,
In de ruis van een handvol bladeren,

Die de ruis is van het land
Vol van dezelfde wind
Die waait over dezelfde barre plek

Voor de luisteraar die luistert in de sneeuw
En, in niets zichzelf, niet
Ziet dat er niet is en het niets dat is.

[vertaling Rein Bloem]

De vertaling van Rein Bloem komt uit Wallace Stevens, Een blauwdruk voor de zon (Amsterdam 1997), waarin onder meer vertalingen zijn opgenomen van The Man with the Blue Guitar en Notes toward a Supreme Fiction.



DE SNEEUW-MAN

Men moet een geest van winter hebben
Om te kijken naar de vorst en de takken
Van de pijnbomen korstig met sneeuw;

En al een lange tijd koud zijn
Om de jeneverbessen te aanschouwen ruig met ijs,
De sparren ruw in het ver geglitter

Van de januarizon; en niet te denken
Aan enige ellende in het geluid van de wind,
In het geluid van enkele bladeren,

Dat het geluid is van het land
Vol van dezelfde wind
Die waait op dezelfde naakte plaats

Voor de luisteraar, die luistert in de sneeuw,
En, zelf niets, aanschouwt
Niets dat er niet is en het niets dat is.

[vertaling Bart Eeckhout]

De vertaling van Bart Eeckhout is een van de zes vertalingen van gedichten van Wallace Stevens die hij heeft gepubliceerd in Yang: tijdschrift voor literatuur en kommunikatie, 29:1 (1993), pp. 14-16. Bart Eeckhout heeft ook een boek geschreven met de intrigerende titel Wallace Stevens and the Limits of Reading and Writing.



vraag niemand waar ik woon hoe ik nu heet
vraag niet met wie ik slaap ik slaap alleen
vraag niemand of ik veel veranderd ben

de vaas is af de oven is gebouwd
een grote open haard lijkt het meer niet
ik draag de zwarte jurk de leliering

ik heb de houten tafel stukgehakt
er staan zolang wat rozen in de vaas
ik laat je halen als het zomer is

er is geen brug maar de rivier droogt op
ik heb een gat gegraven in het zand
de vuren zullen branden als je komt

ik zal er zijn het dolkmes in de hand


Dit gedicht is opgenomen in het eerste deel van de door Gertrude Starink geschreven vijfdelige cyclus De weg naar Egypte, getiteld Twintig Passages 1970-1977, en gepubliceerd in 1980. De overige delen zijn Zeventien Passages 1977-1985 (1993), Een Passage 1985-1993 (1995), Zeventien Passages 1993-1999 (2000) en Twintig Passages 1999 (2000). Alle delen zijn verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam. Uitgeverij Het Balanseer in Aalst heeft in 2012 de gehele cyclus in één bundel uitgegeven. Over de cyclus heeft Piet Keijsers in 2012 zijn proefschrift gepubliceerd: In zijn eigen leemte afgerond: de weg naar Egypte van Gertrude Starink, te downloaden op internet. Over de eerste bundel schreef Dirkje Kuik in de NRC van 8 mei 1981 een paginagrote (en toen waren de pagina’s nog groot!) recensie.



sonnet

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik


Dit sonnet van Lucebert opent de bundel apocrief / de analphabetische naam, voor het eerst gepubliceerd in 1952 bij Uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam, en vele malen herdrukt alsook opgenomen in verzamelbundels. De bundel kreeg in 1953 de Poëzieprijs van de stad Amsterdam.

 

foto (c) Alja Spaan, maart 2008

Geplaatst in Gedichten.