Sasja Janssen – Virgula

Hoe wanen ons denken kan overheersen

Johan Reijmerink

Als lezer probeer je telkens het gedicht stapsgewijs vanuit de nachtwereld te ontvoeren naar de lichte wereld van het rationele bewustzijn. Maaike Meijer wantrouwt in haar studie Lust tot leven (1988) dit primaat van de dagwereld, het uitleggen, verklaren en begrijpen van poëzie. We zouden het misschien, zo meent zij, moeten omkeren: ‘verlost worden, ontdaan worden van de alleenheerschappij van licht, logica, beheersing.’ Dat zou meer in overeenstemming zijn met wat het gedicht ‘wil’. Sasja Janssen vraagt in haar nieuwe bundel Virgula (2021) om zo’n irrationele benadering. Ze opent niet voor niets met een citaat uit het gedicht ‘Visioen’ van Vasalis:

Soms zie ik mijn droom verrijzen
uit mijn witte lakens, in het grijze
en dun-gesponnen ochtendlicht
uw witte schouders en gezicht.

Voor zowel Vasalis als Janssen ontstaat de kunst uit een geheimzinnige werkelijkheid.

Schuilt de vormkracht van Vasalis’ poëzie in overwegend compacte verzen, in de poëzie van Janssen lijkt het te gaan om de intuïtieve kracht van de associatie. Met het laten uitwaaieren van haar visioenen weet Janssen een uniek spectrum aan beelden en woorden op te roepen. De bundel bestaat uit drie cycli. De twee Virgula-cycli omspannen de cyclus ‘Ik roep ja aan’. De titel ‘Virgula’ als Latijnse benaming voor ‘komma’ doet mij niet alleen denken aan de eindeloze aaneenschakeling van gewaarwordingen, maar ook aan het wakker roepen van een reisgenoot, een dubbelganger, een beschermengel tot wie de ik zich bij herhaling wendt en die in bedreigende situaties van zijn aan- en afwezigheid blijk geeft:

ik schrijf je omdat je in mijn ooghoek bungelt
ik schrijf omdat je nooit antwoordt
ik schrijf je omdat je niet van stilstand houdt, net als ik.

In de eerste ‘Virgula’-cyclus vertelt de ik dat ze bezwangerd raakt en huilt ‘van leven’. Enkel het schrijven van brieven en slapen is toegestaan. Een vroedvrouw komt ‘met spelende benen / op het hoge bed […] zitten’. Ze noemt de ik een dochter van Lot die zich bedreigd weet en zich schaamt voor haar ‘boreling’. Bijbelse reminiscenties doemen op. De ik blaast haar moederliefde naar haar baby als ‘een priesterwitte wolk’. In deze geboorte van een ‘baby’ resoneert voor mij ook geboorte van poëzie mee: ‘verzoek me niet, ik schrijf je in grote ernst, Virgula Virgula.’
De ik neemt ons mee naar haar kinder- en schooltijd waar ze de liefde beleeft zonder haar eigen lichaam goed te kennen. We lezen schrijnende scènes waarbij ze zich onder meer ‘laat pakken / door de jongen met zijn engelachtige tengels’. De meester ‘kleedt me in zijn kamerjas met vogels en onderwijst me / over de Laatste `Dingen.’ De ik vraagt Virgula: ‘hoe kom je weg in […][zulke] herinneringen, hoe te sterven’. Ogenschijnlijk niet ter zake doende ervaringen in ‘de stinkende Peel’ schieten door haar hoofd. Ze illustreren het gevangen zitten in een uitzichtloze situatie. De ik lacht haar verlatenheid weg en verlangt erkenning en zuiverheid, in een ‘opvliegen naar gouden vlinders’. De seksuele beklemming blijft echter voortduren. Een droomreis volgt langs de stranden van de Indische Oceaan: morfine, sitarmuziek en nymfomanie. De herinneringsbeelden zijn vol verlatenheid, zoals de hitte, armoede, geur, oorlog en tropische geilheid van Sri Lanka.
Meestal is er een verlangen om geïsoleerd te zitten op een studentenkamer met een raam als venster op de wereld. De medebewoners lijken niet te bestaan:

als ik in mijn kamer ben
en Hooft moet lezen tot een jongen
met troebele ogen me in zijn kamer naast de mijne kust

De ik kijkt met een passant naar de film van Marlène Dietrich Der blaue Engel. Hemelse perspectieven blijven lonken. Bij het verhuizen naar een ander flatgebouw is ‘de hele eeuwigheid (…) met mij mee verhuisd, Virgula.’ Janssen volgt deze jonge vrouw die zich overvallen weet door erupties van onbewuste gevoelscomplexen die een helse pijn veroorzaken. Van de houthakkers krijgt de ik ‘onderricht in de dichtkunst’ / (…) en met lichtzinnige rechterhand en verfijnde linkerhand / begin ik mijn vaudeville’. Een vaudeville is wat Janssen eigenlijk voortdurend opvoert: poëzie met een ogenschijnlijk improviserend karakter.

Omringd door de natuur weet de ik zich in de centrale cyclus ‘Ik roep je aan’ onopgemerkt door de mensen. Ze gaat terug naar haar geboortehuis. Gruwelijke gebeurtenissen volgen elkaar op: ‘zoals toen ze mijn borst afsneden om dichter bij mijn hart / te komen’. Surrealistische beelden verschijnen: De ‘vogels lachen mij uit om mijn verlorenheid / maar eindelijk word ik gezien.’ Elke dag begint voortaan ‘met een portret van jou’, Virgula. Niet ver van de Aa in een boerencafé treft de ik ‘een echtpaar dat bidt als een gek, / ik weet niet waarvoor.’ Net als de ik verlaten ze het dorp, en roepen niet een ander aan. Wellicht een residu van hun religieuze achtergrond. ‘Nu het kleine groot is en ik wat ernst verdraag, wil ik nergens meer zijn.’ Opnieuw komen de kauwen in beeld. Ze vertrekken en ‘kaalogen me nog niet aan. Naast de ‘ontheemding’ is er toch de opening van het hart van de ik naar de ander. Het scheelt de ik niet ‘welk oog wie ziet, en mijn stem wordt lichter / tot het enige wat overblijft is of jij mij verstaat en / mijn lege borst zal vinden.’

In de derde cyclus ‘Virgula’ opent zich voor de ik met tegenzin de ochtend ‘als een wond maar krijgt pas geest wanneer jij komt’. De moeite om geestelijk overeind te blijven wordt groter; de geestelijke verwarring neemt toe. Ze verlieft zich op het schilderij Madame Paul Eluard van Picasso, dat boven haar bed hangt. Hoe eenzaam kun je zijn! Virgula treitert de ik met haar ‘verleden ontrouw’: oude man, nieuwe man. De ik vreest ‘zijn kwade optelling’ […] ‘ik vrees de beperkingen waarmee hij mijn denken coupeert’. Er breekt bij de ik paniek uit. Ze durft haar ziel niet echt toe te vertrouwen aan ‘een geloof dat niet bestaat’. Ondertussen jagen ‘kniehoge planten en platte judashanden […] de ik angst aan.’ De ik is wederom in wanen gedompeld, omringd door andere mensen die de weg kwijt zijn. Hoe raak ik daarvan af? Man en kind uit beeld. De ik wil niet meer denken. Virgula weet alleen ‘hoeveel huilen er in mijn kamers past.’ Het lijkt erop dat het verdriet, de miskenning zich in haar heeft vastgezet in de vorm van een ‘kei’ die neerdrukkend op haar inwerkt.
De cirkel is bezig uit te dijen naar een vierkant. Beelden en woorden lijken bezig zich tot een gedicht te vormen. De komma’s wiegen hun weg naar een punt, ‘maar de mijne wiegen nooit naar hun einde.’ Ik verlang naar een punt, maar ‘dat mijn Virgula’s daar wel / voor uitkijken die te zetten.’ Mijn denken rijgt kettingen. Deze verstikkende ervaring herinnert de ik aan het wandkleed van Bayeux, waarop een geborduurde menigte ‘in doodsangst’ omhoog wijst: ‘mijn verdwenen gezin wijst ook, we zijn ons eigen voorteken, / dat heimwee gulzig is als lust / je lust kunt verrekken.’ Het levensgevoel laat zich moeilijk in beelden en woorden vatten. Daarom zint de ik op een ander hoofd, ‘mijn denken een emotie te groot’. In het dichterlijk proces maakt taal eenzaam. De ik kan niet in haar gedichten wonen, het waait er, er dreigen orkanen:

dat ik geen pauze wil, geen buiteling, ik wil in een grote beweging
naar het einde toe, ik wil middelen om de ketting te verbreken
maar ik laat op me jagen
door de komma’s, mijn duivelinnen

ik leeg het glas melk, dat gevlekt achterblijft op mijn schrijftafel.

De dag des oordeels doemt op: drie uur in de middag. Een non met donkerblauwe benen met ‘haar hoofd in de nek naar een blauwer God’. De ik loopt langs de kade, overal is het alledaagse. Een begraafplaats waar ze het dies irae zingen. Dan ziet de ik Virgula zitten als een krul op de schouder van de non: ‘Alle zuurstof wordt uit het alledaagse gezogen / de ramen worden duister, ik ren uit beeld / van de kade naar mijn huis.’ Thuis aan de ronde tafel zie de ik

een jongen en een meisje met een sneeuwbol die uit mijn gedichten
zijn gekropen, waar ben jij, Virgula,
om ze er weer in te laten vallen?

Het was goed, zeggen ze,

ik word bang van mijn eigen schepsels, je hoeft ons niet bij
elkaar te schrijven schreeuwen ze alsof ze zingen, laat ons gaan
en daar wiek je terug
en land je op mijn hoofd als een mus zodat ik het alledaagse in donder
waarna het weer begint te waaien.

De geboorte van het kind in het eerste Virgula-gedicht doet denken aan een uitwerking van een postnatale depressie waaruit al deze dichterlijke visioenen zijn voortgevloeid. In dubbel opzicht een kwadratuur van de cirkel. Wat ze voor mogelijk hield is onmogelijk gebleken.  Haar poëzie lijkt mij bovenal aangestuurd te worden door onbewust aangedreven gevoelscomplexen. In die zin is er enige verwantschap tussen de ik en Amfortas, die er niet meer in slaagde de Graal te behoeden en een harmonie te bereiken tussen de bewuste en onbewuste processen in zichzelf. Deze bundel zou met zijn intuïtieve werveling van associaties aan kracht winnen als het denken meer overwicht zou hebben over het wanen. De bundel zou aan gelaagde helderheid winnen. Al met al is het een intrigerende bundel!

___

Sasja Janssen, Virgula (2021). Querido, 64 blz. €15,99. ISBN 9789021426475

Geplaatst in Recensies.