“Poëzie is er naar mijn mening vooral om geschreven en gelezen te worden, en niet om te lang bij stil te staan”

Gaël van Heijst (1990) leerde schrijven (en lopen) in West-Zeeuws-Vlaanderen. Twee kunstjes die hem tot in een klein dorpje in Gelderland brachten. In juni 2021 verscheen zijn debuutbundel, Twijfelweefsel. Misschien gaat zijn volgende bundel over websites ontwerpen, de stiel waar hij zijn dagelijks brood (met beleg) mee verdient. Zijn werk verscheen eerder in Meander Magazine, Het Gezeefde Gedicht en op Het Schrijverspodium.
Annet Zaagsma sprak met hem.

foto Dick van Heijst

 

Je website heeft een opvallende naam: www.eindelijkeenpodium.nl. Ben je lang op zoek geweest naar een podium? Eind 2020 won je de Schrijverspodiumprijs en in 2021 zijn gedichten van je gepubliceerd in Meander en Het Gezeefde Gedicht. Wat betekent het voor jou om meer bekendheid te krijgen voor je werk?
Voor mij was het schrijven van gedichten altijd iets wat ik er zomaar een beetje bij deed. ‘Eindelijk een podium’ onderhoud ik al sinds 2010 en ging in het begin alleen over personen die ik zag op straat, waar ik fictieve verhalen omheen verzon. Zo kregen ze eindelijk een podium. Dat was het idee.
Toch zocht ik lang de moed om iets in te sturen. In 2013 ondernam ik een poging, en stuurde mijn eerste gedicht naar het Schrijverspodium. Destijds vond Erik Lange mijn stuk getuigen van een ‘unieke stijl’ maar dat compliment sloeg ik toen in de wind. Tot ik halverwege 2020 mijn poëzie serieuzer begon te nemen. In korte tijd produceerde ik aardig wat werk. Zelf was ik wel verbaasd toen ik daarmee de Schrijverspodiumprijs won. Maar ik ben blij met de kans die ik gekregen heb om een bundel te publiceren via Kirjaboek.
Ongeveer rond dezelfde tijd vond ik Meander. Plots speelde ik met het idee dat er wellicht toch een plekje voor mezelf uit te kerven was in de wereld van de poëzie. Ik leerde dat er  tig stromingen binnen de poëzie zijn, waar ieder een plekje kan innemen. Zo kreeg het concept ‘eindelijk een podium’ weer een nieuwe lading, maar dan voor mijn eigen verhalen en beelden.

Het winnen van de Schrijverspodiumwedstrijd heeft je als prijs een eigen publicatie opgeleverd. Hoe ga je bij het samenstellen van je bundel te werk en heeft het selecteren en een plaats geven van je gedichten effect op hoe je naar je poëzie kijkt?
Vallen je bijvoorbeeld bepaalde thema’s op waarover je schrijft? Zijn er thema’s waar je bewust niet over schrijft en waarom niet?
Voor mijn debuutbundel Twijfelweefsel (die 1 juni jl. verscheen) heb ik van de 41 gedichten het merendeel speciaal voor de bundel geschreven. Dat klinkt heel logisch natuurlijk. Toch, ik speelde al enige tijd met het idee van een ‘twijfelweefsel’: vorm geven aan een staat van constante twijfel, waar zich van alles in afspeelt.
Toen ik dit idee begon uit te pluizen voor mezelf, vond ik het in dagdagelijkse activiteiten terug. De gedichten die ik had, waren oké, maar het geheel liep niet lekker. Het had voor mijn gevoel geen rode draad. Ik vroeg aan verschillende mensen feedback (dank je wel Annet!) waarna het me wat meer begon te dagen. Toen ik eenmaal met thematiek begon te knutselen (drie thema’s in de bundel) zag ik de gaten ontstaan. Ik ben daar toen wel letterlijk gedichten voor gaan schrijven.
Qua thematiek, ga ik niet gauw iets uit de weg. Maar iedereen ervaart uiteraard de effecten van de afgelopen maanden. Dat sijpelt wel door in m’n werk. Toch probeer ik weg te blijven van de open deuren die dergelijke sferen met zich meebrengen.

Naast het schrijven van gedichten maak je foto’s. Wat is je eerste liefde, poëzie of fotografie? Zijn er voor jou overeenkomsten tussen het maken van een foto en het schrijven van een gedicht?
Verhalend schrijven doe ik al zolang ik kán schrijven. Dat blijft voor mij echt de basis, het spelen met woorden. Bij fotografie probeer ik dezelfde thema’s te vangen, of bedenk er later een gedicht of zinsnede bij. Dat is niet altijd even eenvoudig, omdat de camera zich niet altijd zo laat bedienen als ik in gedachten had.
Een groot voordeel is dat je niet kunt ‘schaven’ aan een beeld. Het is er, of het is er niet. Daar komt bij dat ik analoog schiet – op rolletjes – dus ik ben bewust spaarzaam met de hoeveelheid beelden die ik schiet. Het maakt het geheel erg traag en overzichtelijk, ik geniet daarvan.

Waardoor word je geïnspireerd tot het schrijven van een gedicht en hoe gaat dat in z’n werk?
Dat kan door de meest uiteenlopende dingen zijn. Meestal begint het met een enkele zin. Die startzin moet ik hebben voor ik achter de laptop aan een gedicht begin. Deze zinnen verzamel ik in een boekje, of in een app op mijn telefoon. Bijna dagelijks bekijk ik dit ‘ruwe materiaal’ en breng het samen in een document. Meestal beginnen de vervolgzinnen dan vanzelf te stromen. En soms ook niet.

 

Ik woon in een dorp met bankjes

in een dorp met bankjes houden mensen niet hun hand op
voor bedankjes nodigen ze je uit kom toch zitten
te genieten van kopjes van koffie of honden

ze laten letters vallen uit de harde delen van hun hoofd
het is waar ze praten met hun ogen tanden en ook handen
over hoe er vroeger meer op bankjes werd gezeten

zonder te bezitten te delen in voortuinen zijtuinen
achtertuinen de tuinen aan de overkant van de tuinen
ook de tuinen van de gemeente worden publiek bezit

later er versleten op te kraken tijdens lunchpauzes
op latten die strepen op bovenbenen trekken
en verraden waar je gezeten was

bankjes van plastic waar kleren aan plakken
pas op ga eens recht op je rokje zitten de jongens
willen wel weer eens wat te fluiten

bankjes waarachter bananenschillen blijven liggen
omdat de prullenbak te ver lopen is
kleefde er ook kauwgom achter de schroeven

bankjes waarop stiekem ‘s nachts was gevreeën maar niets
was blijven slapen onder een deken zodat niemand het
had zien gebeuren enkel het bewegen

bankjes waarop werd gerold en waar achter onder of
op de grond puistjes glommen van het lachten
of een voorbijganger misschien een vuurtje had

bankjes waarop fietsers zweetvlekken achterlaten
zo stukjes zee met zich meenemen want we bestaan
voor heel wat percentage uit herinneringen aan water

bankjes waarop oudere mensen steunden even
rollators parkeerden of de wandelstok ophingen
en een pakket met jam besmeerde granen openvouwden

ik woon in een dorp met bankjes waar als de zon schijnt
het latjes vrij geeft om te gaan zitten of te laten om met
je mensendelen te wezen of gewoon even te zwijgen

Wat is voor jou het beste moment om te schrijven?
Een gedicht schrijf ik voor 95% in één zit, daar ben ik wel achter onderhand. Ik heb niet echt vaste tijden, maar het werkt vooral goed als ik weet dat ik nergens op tijd moet zijn bijvoorbeeld. Als ik zit te wachten op de trein komt er niks uit m’n vingers. Dan heb ik er meer aan om goed te luisteren naar mensen om me heen. Ze zeggen vaak de meest fantastische zinnen, die je nog nooit eerder gehoord hebt! Dat kan zomaar een goede eerste of laatste zin zijn.

Wanneer is een gedicht voor jou af?
Het is voor mijn gevoel nooit echt af, ik blijf maar schaven. Om die reden heb ik er onlangs ook voor gekozen om geen hoofdletters of leestekens te gebruiken, ik merk dat dit werkt als ik woorden of zinnen aan het ordenen ben.

 

Koppelteken

ze las dat vondsten levens kosten

de uitvinding van de oerknal of lange-afstandsreis
en kraaienpoot die nauwelijks vliegen kon

de manier waarop je niest verraadt
hoe je toelaat het donker je weg te vreten

zuchtwaterpuncties wezen naar beneden
zo is breken geboren zeg je

er ligt een snijden in een koppelteken

jouw helft vrijwillig achter mezelf plakken
hing voortaan aan gedeelde pezen

waar bonen missen wil de koffie naar thee smaken
als ik ga blijf voor twee de tafel dekken

kom we trekken onze schoenen weer aan
om estafette te lopen in open water

trappel jezelf in een verdrinking
alleen jij laaft je aan het droge

Heb je een favoriete dichter en zo ja, in welke mate herken je je in haar/zijn werk?
De afgelopen twee jaar heb ik veel dichters leren kennen. Zo kocht ik een aantal bloemlezingen, maar heb ik ook doelbewust bundels aangeschaft. Zo las ik onlangs Verborgen Tuinen van Anneke Brassinga, een bundel die ik echt fantastisch vind en waar ik naar blijf teruggrijpen. Maar ik geniet ook van de puntige gedichten van Erik Jan Harmens of de werelden die Maarten van der Graaff schetst met zijn bevlogen pen. Qua genre zou je ze allemaal ergens anders kunnen plaatsen, en ik heb nog niet echt een favoriet gevonden.
Zo ontdekte ik laatst een bundel van de Portugese Fernando Pessoa (vertaald naar het Engels) die ik ook prachtig vond. En dan zijn er nog de Russische dichters, en de… en de…. Er is nog zoveel te ontdekken! Uiteraard lees ik graag Meander, en ontdek daar vaak mooie poëzie!

De redactie van Meander zegt over jouw gedichten “Zijn buitelende teksten schreeuwen om voorgedragen te worden”. Sta jij ook te trappelen om jouw werk voor te dragen?
Daar heb ik een paar keer van mogen proeven, en dat smaakte inderdaad naar meer! Gelukkig zijn er via internet tal van wegen om toch nog voordrachten mee te maken (of te houden). Natuurlijk zie ik het liefst iemand voordragen op een kratje onder een boom, of in een overvolle kroeg. Zo ontstaan vaak leuke gesprekken.

Heb je contact met andere dichters om bijvoorbeeld ervaringen uit te wisselen of opereer je solitair?
Ja zeker, ik zoek het contact op. Ik merk dat mensen hartstikke benaderbaar zijn, als het om poëzie gaat. Zo kwam ik in contact met de mensen van Grab Them by the Poëzie in Arnhem, waar ik een aantal keer mocht voordragen. Ook onderhoud ik via de mail en Instagram contact met een aantal dichters. We hebben zo kleine ‘leescirkels’, en geven elkaar feedback.

Wat doe je met de feedback die je krijgt? Helpt je dat om jezelf verder te ontwikkelen?
Geregeld vraag ik de mening van andere schrijvers. Vaak waardevolle woorden over zinnen die niet lekker lopen, of woordkeuzes die gemaakt aanvoelen. Terechte punten, zeer zeker! Toch, ik kan me niet herinneren wie het ooit zei: ‘gedichten schrijf je voor jezelf’, is wel iets wat ik constant in mijn achterhoofd houd. Ja, de lezer mag er iets in herkennen, maar gevoelsmatig blijft het toch mijn verhaal. In een minimum aantal woorden.

Hoe kijk jij aan tegen het bespreken van gedichten door recensenten?
Dat vind ik altijd een beetje lastig. Het is een behoorlijke claim andermans poëzie te willen ‘vangen’, laat staan deze te recenseren. Toch is het een kunstvorm als een ander, waar je natuurlijk allerlei stijlen in kunt hanteren. Het zal mijn eigen onwetendheid ook wel zijn, te denken dat recensenten geheel vanuit smaak een bundel of gedicht beoordelen. Ik ben me bewust dat ik net kom kijken, maar ik kijk wel aandachtig mee.

Poëzie is er naar mijn mening vooral om geschreven en gelezen te worden, en niet om te lang bij stil te staan.

 

Nachtkastrand

de wind vilt twee vleugelpennen
trekt net geen dakgoot tot splinterdak

tocht stript een raam op kiepstand
toegang voor arend die op mijn borst op wolken hoopt

droomde hij van kuiken af aan zijn nagels of veren
in heren pyjama’s uit te slaan

waar zijn alle andere dieren
ze kropen toch in mijn holle hand

als in een coma spuug ik spijkers
vanaf mijn matras tot houvast in de nachtkastrand

in een knip het licht aan met natte rode vingers
kloppend op een met veren bezaaide borst

wacht eens even ik geloof het wel
ja ik ben er nog

 

Geplaatst in Interviews.