Hans Dekkers – Sparagmos

Van alle tijden

door Hans Puper




Het motto van Sparagmos, de laatste bundel van Hans Dekkers, komt uit het toneelstuk Bakchanten van Euripides: ‘jagend op bloed van de bokkendood / op de vreugde van het rauwe vlees’. Die regels verwijzen naar sparagmos, het mythische ritueel waarin dieren of mensen ter ere van Dionysos in een roes uiteen worden gescheurd. Het is een herkenbare metafoor, denk bijvoorbeeld aan hooligans die elkaar uitzinnig te lijf gaan ter ere van hun voetbalgoden. Ook een innerlijke verscheurdheid kan leiden tot genot: ‘in nachtcafé Extase is het goed uiteenvallen / er wordt naar gekeken, misschien herinner ik / het me later en zullen de blikken me weer opzoeken / en zal ik in die herinnering opnieuw het vuil beminnen’. (p. 50). Zonder het offer en de beneveling is het bestaan niet te doorgronden, lezen we op het achterplat.

Laten we bij het eind beginnen, want de bundel heeft een opmerkelijk en humoristisch appendix, dat het een en ander blootgeeft over de werkwijze van de dichter. De titel is ‘De bibliotheek van Zhangjiakou’. Dekkers speelt hier met de negentiende-eeuwse manuscriptfictie, een literair procedé waarin de verteller beweert een manuscript te hebben gevonden dat hij heeft naverteld voor de contemporaine lezer. Het appendix begint zo: ‘In 1927 bezoekt Jan Jacob Slauerhoff in China de kloosterbibliotheek van Kalgan, tegenwoordig Zhangjiakou geheten. Hij stuit er op een vitrine met een zeer oud, ernstig beschadigd manuscript, dat de naam Sparagmos draagt. Het manuscript is door water- en brandschade onleesbaar geworden, maar zijn unieke uitstraling suggereert een historische betekenis. Auteur onbekend is de enige informatie die op het bordje bij de vitrine wordt vermeld.’
Het appendix is een parodie op Slauerhoffs verhaal ‘De doodsstrijd van de dwaze oude, in ’t schrijven verliefde’, uit de verhalenbundel Het lente-eiland en andere verhalen*. Die dwaze oude is de schrijver en dichter Lo T’oen, wiens werk voor een deel verloren is gegaan: ‘Van de liefdesgeschiedenis is een manuscript in de grote kloosterbibliotheek te Kalgan. Maar het is onleesbaar, de bladen zijn omgekruld en verschroeid aan de randen en de inkt is vervloeid en uitgewist, alsof het handschrift tegelijk verbrand is en in het water heeft gelegen’. Het aardige is dat we in het vervolg wel degelijk komen te weten wat er in het manuscript stond, net zoals de lezer de inhoud van het manuscript Sparagmos kent als hij is aangekomen bij het appendix. De naam van de auteur kennen we inmiddels ook: Hans Dekkers, vooralsnog geen dwaze oude als Lo T’oen. Door die grappige manuscriptfictie krijgen de gedichten achteraf bezien iets mythisch.
Aardig is ook het anachronisme in het appendix: het bordje bij de vitrine. Zeer onwaarschijnlijk in het Chinese binnenland van 1927, maar het herinnert je er wel aan dat Dekkers vaker anachronismen gebruikt, bijvoorbeeld in het gedicht ‘De nacht van Li Bai’, de achtste-eeuwse dichter: ‘de dans met haar geuren, de kus op haar mond, / alles een voorspel van zijn leven in luxe-appartementen, dromen van vakanties met coctails aan een tropisch strand’. (p. 48). Droomt Li Bai een droom die van alle tijden is?

Nu we het toch over de negentiende eeuw hebben: Dekkers geeft ook een moderne versie van de zwarte romantiek, die lezers zo’n 150 jaar geleden deed huiveren en soms shockeerde, met name op seksueel en religieus gebied. Een bekend thema was de alomtegenwoordige, altijd dreigende dood, bij Dekkers onder andere verbeeld door wormen die door een aantal gedichten kruipen: ‘ze nemen de honneurs waar / van een god die nergens in gelooft’ (p.44). We zijn dood in het leven zelf, we buitelen als astronauten door een volstrekte leegte. Maar met name de extatische wreedheid herinnert ons aan de zwarte romantiek. Die wreedheid vinden we bijvoorbeeld in het gedicht ‘Waar de pekelzielen dwalen’, waarin Dekkers de sparagmos-mythe navertelt (p. 19 – 21). Daarin komen ook een paar strofen voor die spelen in 1989. Ze gaan over de praktijken van de sekteleider en seriemoordenaar Adolfo de Jesús Constanzo. Dekkers laat daarmee zien dat de mythe van alle tijden is:

1989, in een schuur in Matamaros drijft
in een ketel vol mensenbloed
een geitenkop, op het bevlekte altaar
hersenen en menselijk haar,
de betonnen vloer is bezaaid
met sigarenpeuken en lege flessen tequila,
de Hogepriester, el padrino Aldolfo de Jesús Constanzo,
voltrekt zijn rituelen van de Palo Mayombe,
pekelgeesten zingen in de ketel

Rancho Santa Elena – ontvoerde jongemannen,
verminkt en onthoofd, offers, een magisch schild
tegen politie, tegen kogels, tegen de eigen dood,
Constanzo zwaait ontzind met zijn machete, schrokt van
het gekookte hart en de hersens van een Amerikaanse student,
onkwetsbaar is hij nu, immuun voor alle tegenspoed,
daar aan het eind van die lange, hobbelige, smerige landweg,
waar een paar afgehakte voeten eenzaam in de modder dobbert.

(In de modder dobberen: ik begrijp het beeld wel, maar vind het wat gezocht.)

Werken uit de zwarte romantiek zijn vaak pathetisch en overdadig en als schrijvers of dichters doorschieten, worden ze bombastisch. Dekkers ontsnapt daar niet altijd aan. Twee strofen uit ‘Het gezantschap’ (p. 16):

het is geen mooi gezicht, God met zijn hoofd in een strop
aan een oude eik (aan wat voor boom hing Judas zich op?)
bij de rand van een ravijn, en Dionysos,
mijn sweetheart, die sterft, zonder gelukkig te zijn,
maar ook de moeder van onze dromen hangt daar
gadegeslagen door een processie van dwazen en ezels

een heilige rivier vangt me op, schroeft een gat
in mijn borst, in mijn loze theorema
over het water blijven ze me aanroepen
de dode zielen, de gezanten
de zieners, de gekwelden, de verslaafden en onmatigen
de schelen, scheven en schooiers

Indrukwekkend vind ik ‘Gesloten poort’ (p. 30 -32), dat uit twee gedichten bestaat. Ik citeer het eerste in zijn geheel. Van een oorlogshel naar de brand in Moira op Lesbos – zo kun je het lezen. Moira, de schikgodin die je lot bepaalt. Kan een vluchtelingenkamp een cynischer naam hebben? Het bestaan van de inwoners is uitzichtloos, de poort naar Europa blijft gesloten.

honden blaffen achter de doorgang, gegrom bij elke beweging,
ver weg – ooit thuis – valt geraas in huizenblokken
slaan soldaten op pauken van verschrikking,
hier, voor de gesloten poort, klinkt
het uiteenvallen in brokstukken als stille schoten
geen licht meer
verduisterde ijsblauwe afwezigheid
een vieze lap om op te slapen
geen plek om je te wassen
roze Crocs en blauwe afvalzakken
blote voeten, stank en stof in elke porie

tegen de hemel de oranje gloed van de brand
een oneindige val in het onbekende
uit de hete lucht tuimelt een eskadron bijen
verkoolde angels dwarrelen cirkelend aardwaards
het is de hemel zelf die nu brandt
en als ook de wolken beginnen te vallen
zwarte platte pannenkoeken
dan veranderen de geïsoleerde uitgewekenen
in geblazen glas met een verschroeiend hete huid

op de plaats van de klok een zwerm
soms zingen ze gezamenlijk een lied
over een open poort en een rots om overheen te klimmen
het zingen stormt
niemand rept

Het is dit soort gedichten dat dat de titel van de bundel een huiveringwekkende, eigentijdse betekenis geeft. Ik had er graag meer van gezien.

*J. Slauerhoff (1982). Het lente-eiland en andere verhalen. Negende druk, verzorgd door K. Lekkerkerker. BZZTôH / Nijgh & Van Ditmar, ’s-Gravenhage. p. 21 – 27.

____

Hans Dekkers (2021). Sparagmos. Wereldbibliotheek, 55 p. € 22,99. ISBN 9789028451513

Geplaatst in Recensies.