Jo Gisekin – De luwte van het geheugen

Tegen het vergeten

door Hettie Marzak




De jongste bundel van Jo Gisekin (pseudoniem van Leentje Vandemeulebroecke, Vlaamse dichteres en kleindochter van Stijn Streuvels), De luwte van het geheugen, heeft een sterk zintuigelijke inslag. Dat is niet vreemd als je bedenkt dat deze bundel het geheugen en het vergeten als thema heeft: waar het geheugen afneemt, kunnen zintuigen als tastzin en vooral reuk helpen om het herinneren te versterken.
De bundel bestaat uit vijf afdelingen, die voorafgegaan worden door een detail van de afbeelding op de voorkant, het schilderij Wachten van Gustave van de Woestyne en heeft een motto dat bestaat uit een citaat van een andere dichter.
Gisekin laat zich vaak inspireren door andere vormen van kunst; deze bundel vormt daar geen uitzondering op.

In de eerste afdeling, ‘Toonladders hoog’, wordt allereerst het gehoor gekoppeld aan het geheugen. Negen gedichten over muzikale werken en hun componisten heeft Gisekin hiervoor geschreven, waarbij de betreffende componisten onder aan de bladzijde vermeld staan. Het zal geen toeval zijn dat de reeks gedichten opent met Caprices en forme de valse opus 2 van Robert Schumann: Schumann leed op het einde van zijn leven aan gehoorhallucinaties, die gepaard gingen met depressies en angstvisioenen die hem in een inrichting voor geesteszieken dreven. Gisekin laat zijn vrouw Clara hier haar zorg over haar man uitspreken: ‘ze weet er is haast bij en tactisch vermogen’. Mooi is het gedicht waarin de dichter Schumanns gedachten over Clara en haar virtuoze pianospel laat gaan, als een pendant bij het vorige. Deze twee gedichten komen samen in het gedicht ‘Quatre-mains’, waarin de beide echtelieden samen pianospelen. Het is een vernuftige opzet die zijn doel niet mist.

Mooier nog is het gedicht ‘Die Kunst der Fuge’, waarin Glenn Gould zijn beroemd geworden vertolking van Bachs meesterwerk laat horen;

In overmaatse harris tweed betreedt hij het speelveld. Hier
is hij thuis in het eigenste lijf. landarbeid tekent de rug

de stoel pakt hem vierkant in: een man in evenwicht
verzonken groeit de hals uit de kraag de blik
plooit open vingers in dolle verleiding
Bach is op komst

één hand wuift stoornis uit de lucht de andere
versmelt op het veld. Er is bedenktijd nodig en
stilte zonder verwijl

alsof hij bijziend de noten ontleedt alsof het
hoofd verstijft zoekt hij het precieze parcours
paardengetrappel op zilveren leitjes
ketsende knikkers in hoffelijke cadans met
vingers op de vluchtweg en nooit uit de pas

je ruikt zelfontbranding in dit verhit postuur
een antwoord op de vraag Die Kunst der Fuge?
Er is nog meer wat bedwelmt: de roes hemelwaarts
die het gehoor verscherpt, het sluimerend neuriën
met geur van sprokkelhout in de laagste toon

alsof zijn adem in mijn buikholte blaast alsof
alledaagse meerstemmigheid klinkt alsof Bach de kamer
met wierook verdrinkt mijn hart uit de hengsels rukt
alsof alsof

dit moet volstaan.

De enjambementen zijn doeltreffend en nauwkeurig, de observatie volmaakt in woorden omgezet. Het is een hartstochtelijk gedicht. Wie Gould wel eens heeft zien spelen, weet hoe goed Gisekin hem heeft neergezet, tot en met het zachte neuriën dat Goulds spel altijd begeleidde. Voor wie hem nooit gezien heeft: klik op de link.

Ontroerend is ook het gedicht ‘Ouverture Dichter und Bauer’ waarin Gisekin haar vader herdenkt, die ook piano speelde: ‘(…) vader met joggende handen / op het klavier: Dichter en Boer staccato in tweegevecht.’ Met als laatste strofe de synesthesie: ‘nog steeds hoor ik hem liefhebben / in elk onbestaand gedicht.’

De tweede afdeling, ‘Het oog van de dichter’, bevat eveneens negen gedichten, die deze keer vanuit het gezichtsvermogen als zintuig een aantal kunstwerken als onderwerp hebben. Bij twee van deze ekfrastische gedichten is de afbeelding afgedrukt: het al genoemde schilderij van Van de Woestyne en de Johannes uit de Kruisigingsgroep van Veit Stoß. Het is jammer dat het bij deze twee gebleven is, want het is moeilijk om een gedicht te lezen dat over een kunstwerk gaat als je daarmee niet bekend bent. Er blijft iets ontbreken en die afwezigheid stoort, als zou het verder nog zo’n goed gedicht zijn.

‘Weifelend licht’ is de afdeling die genadeloos de aftakeling van een mens laat zien voordat het echte einde komt. De opwekkingen van de zintuigen op het geheugen zijn tekort geschoten, dementia heeft toegeslagen en het geheugen verpulvert langzaam:

Dementia

Broosheid verweekt zijn beide knieën terwijl het hoofd
de verkeerde bocht in zwaait, twee ogen blijven dwalen in
vergeten straten smaken spoelen weg
andermaal bevoelt zijn stap plaveisels van huis tot eertijds
en weerom. Hij wankelt.

Vanop de zijlijn wordt gefluisterd schouders verbazen
woordspelingen schrijven dementie in de lucht
niemand weet
hoe onbarmhartig zijn weg versmalt
hoe amechtig zijn longen reutelen
tot aan de oversteek

morgen schrompelt wat hem nu vertroost, vandaag verteert
zijn smeulend denken als geur van zurend hooi

wie pakt hem in met tere vingers en legt hem in het bed van
veiligheid waar elk uitzicht een eindstreep trekt
straks komt hij zichzelf – misschien – nog één keer tegen:
een droom verpulverd in schemer aan de overkant

de schwung in zijn lichaam tempert zienderogen
het is de hartslag die eigenwijs kamer na kamer
sluit
waar hij zichzelf verloor.

Hier is een dichter aan het werk die haar vak verstaat. Weer die prachtige enjambementen, die versmelting van alle zintuigen die toch niet voldoende is om te voorkomen dat ‘morgen schrompelt wat hem nu vertroost’.

De afdeling ‘ Ligplaats voor woorden’ gaat zoals te verwachten is over taal, spraak, stem. De dichter geeft zichzelf bloot in een poëtisch credo:

Als ik de poëzie niet had
——–Voor Frans-Jos 80

Hoe zou ik geuren benoemen zwoel of uitzinnig
verrukt. Klanken als vlinders ontpoppen met
vleugels gespreid en hoofs op nectarjacht
klinkers griffen in geschept papier goudomrand
liefde zalig prijzen

als ik de poëzie niet had

ben ik een dempige minnaar ontzenuwd
tot in het merg. Mozarts Gran Partita
van lieverlee ter aarde besteld
uiteindelijk met treurnis om het lijf
nostalgisch ten onder gaan.

Kerf spraakmakende woorden in zilver
behang ontroering als sneeuwwit gebaar
gewichtloos binnen bereik
dát vers van de dichter geweven filigraan
sacraal voor een ogenblik
met Bach als orgelpunt

begeerlijk in het diepste geheim
de hartslag van poëzie
geraffineerd
als niets nog rest.

Het verglijden van de tijd hoeft niet altijd treurig te stemmen, integendeel: in de laatste afdeling ‘De zon op de bleekweide wordt een meisje’, een jonge vrouw ten tonele gevoerd die zwanger is: ‘Ze telt de dagen en bolle kinderwagens op de stoep’. Vrouw en moeder tegelijk neemt ze een belangrijke plaats in binnen het gehele oeuvre van Gisekin, maar zeker ook in deze bundel. Toch vervalt de dichter nooit in sentimentalisme of verheerlijking als het over het moederschap of het vrouw-zijn gaat: ze zet krachtige vrouwen neer: ‘ze waakt in de luwte / ferm in het gelid.’
Het is een mooie afsluiting van een bundel die zonder deze afdeling treurig zou kunnen stemmen, maar kracht en hoop hebben het laatste woord.
____

Jo Gisekin (2021). De luwte van het geheugen. PoëzieCentrum, 63 blz. €20,- ISBN 9789056552992

Geplaatst in Recensies.