Florence Tonk – Half heel

Is dit genoeg?

door Hettie Marzak




Iedereen heeft wel eens het gevoel dat de grote boze buitenwereld angstwekkend dichterbij sluipt. ‘Vluchten kan niet meer’, dichtte Annie M.G. Schmidt al in 1985, maar ‘schuilen kan nog wel’ en dat is precies wat Florence Tonk doet in haar derde dichtbundel Half heel. Schuilen in het kleine, ‘als de wereld zo groot / en woedend is’ zoals ze stelt in het titelloze openingsgedicht dat begint met de regel ‘Almaar de dingen dempen’. Daartoe keert ze in zichzelf, haar naaste omgeving en vooral haar moestuin waar haar ‘vluchthut’ staat, waar ze contact kan maken met de aarde en met wat echt is. Dat is niet altijd eenvoudig, want ook daar stelt de buitenwereld haar eisen: familie blijft aan je trekken en er moet ook gewerkt worden voor het levensonderhoud, zoals in het gedicht ‘Teelt’ in de eerste strofe meegedeeld wordt:

En toch moet er brood in
dat obsessief strijdende
lichaam met amper tijd
voor vreten, moe gestreden
maar nog altijd grijpend is het
met vingers als de zwarte
wortels van de heermoes
kronkelend, diep woelend
oerachtig en hardnekkig sterk.

Tonk houdt ervan de belangrijke dingen oprecht en simpel te houden en ze in hun ware gedaante te tonen. Zo wordt de algemene uitdrukking ‘terug naar de natuur’ teruggebracht tot de proporties van haar moestuin, waarin eigen groenten dienen als een metafoor voor haar eigen besloten wereld. Hier probeert ze haar kwetsbaarheid en die van haar kind af te schermen, want er is nog veel te verliezen.

Pachtgrond

Wees op de troost
die je beplantte
waar je verbouwde
een blauwgroene
schuur bouwde waar
je rivierklei, roet
af moet wassen (de uitlaatgassen)
verkeer op je troost
in de oksel van wegen

waar je niet woont maar huist
een plek om te weten
wat er moet gebeuren waar
je vandaan komt, je plaats is
wat je verloor of niet
langer wil weten

ben, wees
op die plek
om stekken, lege handen
volle agenda’s de grond
in te steken
verlaten te zaaien, beul
je af, graaf
van pachtgrond om scherven
uit andere eeuwen te oogsten
gedichten
te slapen, te lezen.

Uit dit gedicht komt het strakke ritme naar voren dat Tonk hanteert, zoals ze ook rijkelijk gebruik maakt van alliteratie en assonantie. Taal hoort volgens haar tot de basis van het bestaan, net zoals grond en geheugen.

De bundel is opgebouwd uit vier afdelingen, met een gedicht vooraf, een motto van William Faulkner en een verantwoording van de opgenomen gedichten. Enkele daarvan verschenen al eerder in Het Liegend Konijn en NRC Handelsblad.
In de eerste afdeling, ‘Redmiddelen’, is de keuze gemaakt om terzijde van de wereld te staan in een zelfverkozen afzonderingsgebied, uit angst om onbeduidend te zijn tegenover de grote wereld, maar in de tweede afdeling ‘Waar je niet woont maar huist’ blijkt het niet mogelijk te zijn om dat vol te houden: de wereld sijpelt toch het eens zo veilige toevluchtsoord binnen en de dichter moet concessies doen. Waar ze in het gedicht ‘Welvaart maakt lawaai’ nog tegen haar kind kon beweren: ‘Niets lijkt ons te raken’, wordt er in latere gedichten al volop gevochten tegen de ondergang van de veilige status quo. De wereld verandert en het oude en bekende gaat teloor: een partycentrum waar je kunt bowlen en wokken komt op opa’s land te staan in het gedicht ‘Huis van Vreemden’. Het verklaart de titel Half heel, al slaat dit natuurlijk ook op de occupatie van het lyrisch ik als ‘Dichter und Bauer’, waarin een tweespalt aan te wijzen is.

De derde afdeling, ‘Papa kachelpijp’ getiteld, bestaat uit vier gedichten die een memoriam voor de vader vormen, die zijn gezin al vroeg in de steek liet. De gedichten zijn bitter en nogal sentimenteel, maar ook hier heeft Tonk ervoor gekozen om oprecht te zijn en geen spelletjes te spelen, wat terugkomt in de laatste versregels van het gedicht dat dezelfde titel draagt als de afdeling:

Papa Kachelpijp

Terwijl zwarte stippen langzaam je skelet
bedekken, je neusvleugels iets macabers
hebben, je ogen steeds verder, troebeler naar
binnen kijken, zie ik dat je bang bent
voor vertrek. Zware shag, zwaar geschut,
je galgenadem. Je hebt het niet zo goed
gedaan, ach wie wel papa

en alle liefde die je, toen nog mooi
in zo veel bedden zocht, daarna
alleen nog in een fles, heb ik uiteindelijk
in ons getroffen, nu je ons nodig hebt
voor kusjes, zalf en eten.
Zie je, wij zijn jouw succes en wat er van je
resten zal, vreemd wezen, vader
van vier, alleen zo vreselijk goed
in ons leren spelen.

Een mooi gedicht, waarin het bijwoord ‘vreselijk’ ineens terug verwijst naar de oorspronkelijke betekenis in plaats van alleen maar als versterking van het bijvoeglijk naamwoord te dienen. De afdeling lijkt niet op zijn plaats te zijn tussen de gedichten over de landelijke idylle die als asielplaats geschapen was, maar misschien heeft vader, evenals een van zijn kinderen, een schuilplaats gezocht en gevonden. Bovendien valt er net als in de andere gedichten niets meer te verbloemen: het heeft geen zin de dingen mooier te maken dan ze zijn. Het verlangen naar echtheid en oprechtheid klinkt ook in deze afdeling door.

De laatste afdeling is ‘In de schaduw van je denken’. De gedichten zijn een reflectie op de voorgaande afdelingen uit de bundel. Hier wordt geëvalueerd en bekeken of het zin heeft gehad om jezelf buiten de wereld te plaatsen, al is dan dan maar voor eventjes. De dichter neemt afstand, ook letterlijk, door op reis te gaan, een eigen leven te leiden, een eigen gezin te stichten. Maar weglopen blijkt niet mogelijk en gemaakte fouten zullen keer op keer herhaald worden door komende generaties. Aandacht hebben voor wat wezenlijk is zou een oplossing kunnen zijn: misschien dat ‘half heel’ dan ‘heel’ kan worden. De dichter geeft de lezer een aantal goede raadgevingen mee in de laatste strofe van het gedicht Dit zou ik je op het hart willen drukken: ‘Luister, ontcijfer / echte verhalen, soms / raar, tragisch en zelden / eenvoudig, eenduidig. / Durf te kijken, zwijgen / vul jezelf met vragen’.

Maar ondanks die goede raad is bij de dichter de twijfel groter dan ooit, getuige het gedicht:

Is dit chocola?

Boodschappen zwaarder, trappen
hoger, stappen trager met een hoofd
dat overstroomt, over
stroomt van woorden, beelden, liedjes
die ik zing met het kind van de valreep.

Wat kies ik? Wat heb ik te zeggen
als ik bang ben, uitzak onder
de zwaartekracht, het gewicht van alles
dat ik heb bewaard, verzameld
met die kluwen op zolder vastzit?
Hoe leg ik uit dat grote dingen
verkeerd gaan, maar er geen schuldige
is aan te wijzen? Dat het zo vaker gaat.
Geloof ik je? Geloof je me?

Moet ik hier nu iets wijs beweren over
de tragedies tussen jullie allemaal
iedere dag de brillen, oren, tongen
die verschillen, hoe we van alles het liefst
chocola willen maken, de een ervan smult
de ander er stront in ziet, zich walgende afkeert.

Mag ik roeren in dit taaie deeg dat leven
heet, de brij waarin ik moeders, vaders,
zusters kwijtraak, zonen baar
moeizaam oprijs en vooruit staar
als een konijn naar een toesnellende
toekomst waarin ik mijn shit
niet op de rails heb gekregen
niet zo’n keuken
niet die hypotheken
alleen wat woorden
voor een aldoor slinkend
krimpend, verstrooider groepje lezers.

De twijfelaars zijn verdraagzamer dan de profeten. Het doet denken aan Bloems gedicht Dichterschap: ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan, (…)’. Gelukkig heeft Tonk haar humor weten te behouden, maar de angst voor de toekomst delen we met haar.
____

Florence Tonk (2021). Half heel. Nieuw Amsterdam, 80 blz. € 20,- ISBN 9789046828496

Geplaatst in Recensies.