Frans Kuipers – de Lach van de Sfinx

Een fantastisch toeval

door Ivan Sacharov




Bij sommige dichters waait de wind uit een duidelijke hoek. Frans Kuipers is daar een voorbeeld van. Ik bewonder hem al sinds zijn bundel wolkenjagen (uitgegeven in 1997, bij Atlas), waarin dit prachtige gedicht staat:

Achter sterren staan sterren.
Iedere druppel is Atlantisch diep.
Onder je borstbeen: de schat der barbaren,
je klepelend hart.
Boven je landschap, te vuur en te zwavel:
de voorwereldse draak, je stralende zon.
Meer nog dan verwondering
zou verbijstering je natuurlijke staat moeten zijn,
reiziger
in de gloednieuwe, oeroude,
sterrenstoffelijke kleurdromenzooi
op het thuispluisje van je planeet.

In zijn pas uitgekomen bundel de Lach van de Sfinx (eveneens uitgegeven bij Atlas) staat op bladzijde 63, bij wijze van bevestiging, het volgende gedicht: ‘En dat het gezegd is vanonder de appelboom / recht in het blauwe gezicht van juli / dat bij Doodgewoon inwoont Wonder / geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.
Een credo dat inmiddels 24 jaar standhoudt! De dichter maakt zijn woord waar. Een woord misschien dat ook iets vertelt over de inspiratiebron van deze dichter. Geprikkeld door een niet aflatende nieuwsgierigheid en verwondering schrijft hij al minstens 10 bundels lang (ik heb ze niet allemaal gelezen, maar zijn stijl is zó herkenbaar dat ik wel aandurf dit te beweren) over de natuur en over de natuur van de mens. De nieuwe bundel opent met dit gedicht:

Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij?
—- Jij, ik kan je niet thuisbrengen. Ik wil je ook niet thuisbrengen.
Ik wil je in je volle vreemdheid,
—–in je onbegonnen schoenen, stinkend van toeval, nachtmerrie-intact.

Het begin van een queeste, een zoektocht? Kenmerkend voor een nieuwsgierige is het om altijd opnieuw te willen beginnen. Zelfs op latere leeftijd, als het leven hem heeft verteld dat de mens met zijn klemtoon op ‘ik’, eigenlijk een verzameling ‘ikken’ is, die in dit gedicht in het woordje ‘iks’ allemaal een beetje ‘niks’ lijken te zijn. Maar laat ik er niet stilletjes van uit gaan dat de ik-figuur de dichter zelf is. Ik wil hem niet in een vakje stoppen. Precies zoals de ‘ik’ de ‘je’ in dit gedicht niet in een vakje wil stoppen! Vermoedelijk omdat zijn verwondering daardoor zou verminderen; het zou van de ‘je’ gewoon weer een soort ‘ik’ maken.
Wat dan wel de bedoeling is wordt niet helemaal duidelijk. Wil de ‘ik’ de ‘je’ in diens ‘volle vreemdheid’ apart houden of juist bij zichzelf betrekken? In het eerste geval blijft de ‘ik’ in zijn eigen ‘klemwoord’ opgesloten, zoals de dichter het elders fraai zegt; in het tweede geval vervagen de grenzen en begint een reis die wel meer dan 10 bundels kan duren.

Opvallend is het woordje ‘toeval’ in de laatste regel. ‘Het toeval neemt een binnenweg naar het doel’, schreef Martinus Nijhoff ooit in zijn beroemde gedicht Awater. We vergeten het soms, maar waar sprake is van toeval wordt ook een doel verondersteld. In deze bundel, waar ‘alle dingen bijzonder mijzonder zijn’, en ‘jij in iks als lucht in longen wordt geademd’, is dat wellicht het overschrijden van de grenzen van het ik-zijn. Een door nieuwsgierigheid en verwondering gedreven zoektocht naar het onbekende buiten het eigen ik… Een ervaren van de ander en van het andere in ‘jij’.

Wie de ‘jij’ is, wordt in het midden gelaten. Mogelijk een vrouw. Een geliefde? In het kortste gedicht van de bundel, met de titel ‘V’, lezen we: ‘Jij kon mij redden van mij’. De letter ‘V’ staat dan in mijn verbeelding voor ‘vrouw’ (de perfecte tegenpool van de mannelijke ‘ik’).
En dat brengt me op de compositie van de bundel. Die lijkt te zijn opgehangen aan het alfabet. Elk gedicht heeft een letter van het alfabet als titel. En dat zelfs twee keer. Het enige gedicht met een normale titel is het wat langere gedicht ‘Zonnesteen’, dat de twee reeksen van 26 ‘alfabetische’ gedichten van elkaar scheidt. Niets mis mee. Maar de zin van deze ordening ontgaat me een beetje. Het voegt inhoudelijk niet veel toe en lijkt zelfs een beetje haaks te staan op de spontane manier waarop de meeste gedichten zich presenteren. Het gedicht met de titel ‘N’ uit de tweede reeks licht misschien een tipje van de reden van deze ‘alfabetische sluier’ op:

Ik? ben de profeet van het verloren ogenblik
kijkend naar de haartjes in de zonbeschenen nek
van de lezende vrouw in de bus vóór mij, hoe kan
het – van niks tot een iks gekomen – dat zij niet
kieuwselt van wonder, krant niet
tot prop verfrommelt en alfabet herziet.

Leuk natuurlijk, dat ‘iks’ behalve voor het meervoud van ‘ik’ ook voor ‘X’ kan staan. En de letters in het alfabet (die een bepaalde volgorde hebben) daarmee voor fases in het leven. ‘X’ is wel ver, maar nog niet helemaal het eind. Gelukkig voor wie ‘van niks tot een iks’ is gekomen! Het alfabet herzien zou in dit verband inderdaad een wonder betekenen: jeugdigheid in ouderdom! De dichter probeert het. Ook in het m.i. wat minder geslaagde gedicht ‘Zonnesteen’, waarin enkele citaten van andere dichters zijn verwerkt. De laatste drie strofen daarvan waaieren uit over de bladzij en luiden: ‘Een toverformule / die werkt / die iemand in een ander / veranderen kan // die, al was het maar / een fractie van één seconde / iemands haarwortels / verlichten kan, // dat moest me toch lukken / zo nu en dan.’
Opmerkelijk, die verlichte haarwortels. Men denkt al haast aan de stralen van de zon! De vrouw in de bus, in het eerder geciteerde gedicht ‘N’, had ook al oplichtende haartjes in haar zonbeschenen nek. Dat kan geen toeval zijn. Toch komt toeval in deze bundel vaak voor. Misschien nog het meest indrukwekkend in de volgende regels uit het allerlaatste (Z) gedicht: ‘Er is het toeval en er is de fantasie / maar toeval is fantastischer.’
Deze regels behoren voor mij tot de meest memorabele van de bundel. Want is het waar wat er staat? Men zegt toch dat fantasie je overal kan brengen en dat niets in je fantasie onmogelijk is? Maar misschien vergeten we daarbij dat we het over onze fantasie hebben. We kunnen onszelf daarin niet ontlopen. ‘Hoe elastisch de mensenknoop’ ook is (zoals de dichter in een ander gedicht opmerkt). Bij toeval is dat anders. Toeval brengt dingen bij elkaar op een manier die we zelf niet (bewust) geconcipieerd hebben. Toeval werkt via wegen die zelfs buiten ons bereik liggen. Hoewel het uiteindelijke doel dat door toeval bereikt wordt, weer wél binnen de wereld van ons eigen ‘ik’ valt.

Toeval als een salto in het onbekende. Een manier om de vreemdsoortigste dingen aan elkaar te knopen. Dingen zoals de Sfinx, die zowel mens als dier is? Kuipers heeft zijn bundel waarschijnlijk niet voor niets de Lach van de Sfinx genoemd. De bundeltitel komt uit het gedicht ‘P’, uit de eerste alfabetische reeks. De laatste drie regels daarvan luiden: ‘het Grote Muziekgezelschap Water / speelde de Heldere Zwerver / en de Lach van de Sfinx’. Wat betekent dat? Water maakt geluid: eigenlijk precies waaruit poëzie bestaat! Laten we niet vergeten dat poëzie oraal is begonnen. ‘De Heldere Zwerver’ kan een metafoor zijn voor ons ‘zwervende ik’, maar het is evengoed mogelijk dat Kuipers hier een paar collega-kunstenaars aanhaalt die toevallig goed van pas komen! Ik doel hier op Inge Zwerver: een dichteres die heldere poëzie schrijft en met het waddengebied verbonden is; en de schilder Dolf Zwerver, die schilderijen maakt in heldere kleuren…

Nou goed, dit alles staat in schril contrast met ‘de Lach van de Sfinx’, die eigenlijk helemaal niet helder is. Het bekende raadsel van de Sfinx hoef ik hier niet te memoriseren. Maar mogelijk staat ‘de Sfinx’ hier ook voor het onbekende, aan de andere kant van de grens van ons ‘ik’. Het onbekende dat ons toelacht (uitlacht?) als een Mona Lisa. Misschien inderdaad om al die rare ikjes van de mens die in hetzelfde gedicht ‘P’ als ‘ikseldril om de schroef gedraaid’ zitten (en erger nog: als ‘de rattenkoning’ aan elkaar geknoopt). Kortom: geluid (poëzie) bestaat uit heldere en minder heldere gedeelten, die in de juiste proportie bij elkaar iets moois kunnen opleveren. Wanneer we in dit verband ‘iks’ als betekenissen zien, kunnen we zelfs zeggen dat ‘de Sfinx’ staat voor het gedicht! Het gedicht dat ons uitlacht omdat we als lezers gedoemd zijn met onze verklaringen om de brij heen te blijven draaien! Het woord ‘Sfinx’ knoopt met zijn ‘X’ aan het eind alle betekenissen in één woord aan elkaar. Kuipers – de dichter in hem – moet dat prachtig gevonden hebben…

Los van alle poëtica: wat heeft het voor ons – als gewone stervelingen – voor consequenties om verschillende ‘ikken’ te hebben die ‘toevallig aan elkaar geknoopt’ zitten? Hoe toeval op ons leven inwerkt laat het volgende gedicht zien, dat ik als laatste citeren wil. Het is, met zijn titel ‘X’ (‘iks’ lijkt me ook goed), één van de mooiste uit de bundel:

Alleen in de nacht,
—-bij het licht van sneeuw.

Zijn verstand zegt:
—–‘ik ben de expert van mijn eigen leven’
maar zijn hart zegt:
—– ‘ik ben een vondeling van negenenzeventig jaar.’

In onze maakbare maatschappij wil ons verstand ons wijsmaken dat we ons eigen lot in handen kunnen nemen. Maar wat zegt ons gevoel als we eerlijk zijn? Wat een fantastisch toeval!
____

Frans Kuipers (2021). de Lach van de Sfinx. Atlas Contact, 80 blz. € 21,99. ISBN 97890254 70579

Geplaatst in Recensies.