Saskia van Leendert – Restwarmte

Luisteren in de kantlijn

door Herbert Mouwen




De titels van de vijf afdelingen die de nieuwe dichtbundel Restwarmte van Saskia van Leendert bevat, spreken tot de verbeelding: ‘Geboren als mogelijkheid’, ‘Ineens blijk je van glas’, ‘Zoeken naar gelijke grond’, ‘Gebrek aan profiel’ en ‘De maat van ons verdwijnen’. De reeks lijkt op de fasering van een volledige levenslijn, van geboren worden tot en met sterven. Dat is niet zo, maar op grond van die vijf afdelingstitels is inhoudelijk gezien een ambitieuze dichtbundel te verwachten. Ook de bundeltitel Restwarmte wekt de nieuwsgierigheid. ‘Restwarmte’ is een begrip dat hoort in het denken over het bevorderen van de duurzaamheid. Het is de warmte-energie die overblijft bij energieomzetting en kan op nuttige manieren toegepast worden. Deze omschrijving van het begrip restwarmte betrekken op het proces van het dichten is niet zo moeilijk. De bundel opent met een titelloos, poëticaal gedicht, waarin de dichteres haar bezigheden beschrijft en zich op persoonlijke wijze presenteert:

Hoeveel bomen heb ik omver geschreven
op zoek naar de warmte van verzen?

Ik stof stammen af met fluwelen handschoenen
in plaats van met een hogedrukspuit.
Het vrije vers gebruik ik als excuus.

Ik bestudeer jaarringen om te ontdekken
dat alles eerder en beter uitgegraven is
en schud krampachtig zand van wortels.

Op platgetreden paden zie ik telkens weer
dezelfde takkenzooi. Oog in oog versteen ik
in het verwoorden van het wezen.

Zie hier mijn laatste proeve. Ik buig
het hoofd en leg mijn pen neer.
Met snot schrijf je geen poëzie.

Ik luister in de kantlijn, ergens
in de verte schieten wortels.

De bomenbeeldtaal is mooi uitgewerkt en consequent volgehouden in dit hoog kwalitatieve openingsgedicht en de symboliek in relatie tot het dichterschap is helder. De dichteres, ‘op zoek naar de warmte van verzen’, is zich bewust van het feit dat ze in een lange traditie van poëzieschrijven staat: ‘dat alles eerder en beter uitgegraven is’ en ‘platgetreden paden’. Deze bundel is haar ‘laatste proeve’ die ze de lezer aanbiedt, terwijl ze zelf luistert ‘in de kantlijn’ naar het effect van haar bundel ‘ergens in de verte’.

In de eerste afdeling ‘Geboren als mogelijkheid’ onderzoekt Van Leendert in een reeks gedichten nauwkeurig wie ze is, waar ze in het leven staat en wat haar toekomst is. Opvallend daarbij is dat ze zich in eerste instantie zeer bescheiden opstelt. Ze maakt zichzelf klein en is zeker geen wereldbestormer. Ze begint vanuit het verleden en komt tot de conclusie: ‘Mijn eigenheid is niet meer // dan een druppel in een oersoepbron.’ Ook versregels in de volgende gedichten zijn veelzeggend: ‘Wie ik ben blijft / een goed bewaard geheim’, ‘Her en der leef ik / in lauw gedoseerde beetjes / verberg me in de schaduw / in de marge van mezelf.’ en ‘Ik vraag me af wie ik ben / onder de huid van mijn naam.’ Ook het geloven in God geeft haar geen zekerheid, zoals ze in ‘Worstelen met God’ stelt. Wel spreekt ze zich in ‘Geen bereik’ uit. In haar zit een God verborgen, een vrouwelijke God.

In de eerste drie gedichten van de tweede afdeling staat het onderwerp geboorte centraal, een geboorte die onwetend begint. In ‘Genesis’ staat: ‘Besef van tijd is jou vreemd / in het bewegen naar het licht.’ En in ‘Welkom’ lezen we: ‘Al snel heb je weet / van je naam, je bestaan’. Toch stelt Saskia van Leendert in dit gedicht enigszins somber vast: ‘Nu je hier bent, ongevraagd / kan het sterven beginnen.’ Na deze drie openingsgedichten zijn er terugblikken op de jeugd ‘In je roze prinsessenjurk’, met een ‘slotjesbeugel’ en ‘rook die bezit neemt van je jas / je trui, je hemd en dan je huid.’ Ook het dromen over het moederschap (‘de kinderen / die ik niet kreeg’) is aanwezig in deze afdeling.

Is in de vorige afdeling sprake van een ik-perspectief of van een je-perspectief waarin de ik zichzelf toespreekt met je, in de derde reeks zijn een aantal gedichten geschreven in een we-perspectief. Het zorgeloze, materialistische leven met tegelijkertijd de zorg voor moeder (‘Hoe schuif ik sneeuw / in je hoofd aan de kant’) is hier het hoofdonderwerp, zoals in ‘Verdwaald’:

Met alle dagen zon
altijd onderweg naar later
was alles wat blonk van ons.

Wij leefden als eksters.

Nu wassen wij de billen van onze moeder
begraven onze vader, prevelen woorden
van eeuwigheid.

Memento mori, wordt in dit gedicht helder uitgedrukt. De herinneringen aan moeder en haar nalatenschap – de restwarmte? – komen in deze afdeling in enkele ontroerende gedichten ruimschoots aan de orde. Zeker ook in deze treffende versregels: ‘Ik ben nergens te bekennen / maar woon in haar oogopslag.’

De vierde afdeling ‘gebrek aan profiel’ richt zich op ‘Mijn buurvrouw’, die vereenzaamt en bevat acht coronagedichten: ‘Weerloos / zijn we, zegt ze tegen niemand.’ De laatste afdeling ‘De maat van ons verdwijnen.’ opent met het gedicht ‘Uitzicht’ en sluit af met een gedicht dat dezelfde titel heeft. In ‘Uitzicht I’ lezen we: ‘In de knoppen bloeit het heden.’, in ‘Uitzicht II’ is het lenteachtige gevoel verdwenen. De toekomst ziet er dreigend uit: ‘Ooit komen de sprinkhanen / de branden en de grote vloed.’ De bundel eindigt met een titelloos prozagedicht van meer dan één pagina met een interessante inhoud en opbouw. Wel vraag ik me af: Waarom dit gedicht als afsluiter?

Restwarmte is de moeite van het lezen waard en behandelt veel onderwerpen op een onderzoekende manier. De gedichten bevatten originele beelden, het taalgebruik is zorgvuldig, de toon is enigszins ingehouden en de gedichten zijn in het algemeen toegankelijk. In ‘Voorbijganger’ dicht Saskia van Leendert: ‘Op een dag pas ik in een broekzak / verlang ik naar de restwarmte / van handen.’ Op een dag? Nu al!
____

Saskia van Leendert (2021) Restwarmte. U2Pi, 90 blz. € 15,-. ISBN 9789493240339

Geplaatst in Recensies.