Alfred Schaffer – ,zo heb ik u lief. alle gedichten tot nu toe

Het verlangen naar een ruimte zonder afmetingen

door Johan Reijmerink




Met de toekenning van de P.C. Hooftprijs 2021 is de voorname positie van Alfred Schaffer in het Nederlandstalige poëzielandschap bevestigd. Zijn omvangrijke verzamelbundel ,zo heb ik u lief. alle gedichten tot nu toe (2021) is daarvan een tastbaar bewijs.

Voor Schaffer is de poëzie enerzijds een autonoom object, anderzijds een talige reflectie op de werkelijkheid in de vorm van traditionele gedichten, dialogen, citaten en droomprotocollen, bij voorkeur in twee-, drie- en vierregelige strofen. Gaandeweg is hij langere proza-achtige poëzie gaan schrijven. Hij stelt zich bij voorkeur op afstand van de werelden die hij in ogenschouw neemt. Poëzie is voor hem ‘ruimte maken’ en ‘afstand scheppen’, zowel in fysieke als geestelijke zin. Hij wenst niet dat zijn persoonlijk leven al te zeer wordt ingekaderd in zijn poëzie. In zijn bundel Mens Dier Ding (2014) staat te lezen dat de relatie tussen gedicht, dichter en wereld voor hem er één is zowel van onmiddellijkheid als van oneindige spiegeling: ‘een golvende reflectie/ van een reflectie van een reflectie’.

Hoewel zijn poëzie negatieve kwalificaties als ‘chaotisch’, ‘fragmentarisch’, ‘nomadisch’ en ‘verwarrend’ opriep, is de waardering voor zijn poëzie van meet af aan onverminderd groot geweest. ‘Het lezen van een gedicht van Schaffer is’, aldus Hans Groenewegen, ‘als het lopen over een tegelvloer van losliggende tegels die aan de onderkant van wieltjes zijn voorzien.’ De jury van de P.C. Hooftprijs heeft in hem een dichter herkend die meerstemmigheid, engagement en absurditeit moeiteloos met elkaar weet te verbinden. Voor Gaston Franssen is Schaffer een dichter die het intieme en het afstandelijke op een fascinerende manier tegen elkaar weet uit te spelen.

Zijn oriëntatie reikt ver over onze landsgrenzen heen. Daarbij zijn schrijvers als Jorge Luis Borges Anne Carson en John Ashbery belangrijke voorgangers in zijn dichterlijke ontwikkeling. Schaffer voelt zich als dichter een dwaallicht in een echokamer, vol citaten, stemmen en fragmenten met het nadrukkelijk verlangen een thuis te vinden: ‘vier figuren, ogenschijnlijk naast elkaar / op een windstille ochtend zomaar midden in het jaar / in een ruimte zonder afmetingen / en al bijna zonder kleur, wat een hardnekkig / vooruitzicht, zo / heb ik u lief.’

Schaffer meent, dat er in zijn poëzie veel frictie en mysterie zit vanwege de verstrengeling van uiteenlopende werelden. Verlies van geliefden en afwisselend verblijf in Nederland en Zuid-Afrika hebben hem geleerd dat je moeilijk macht over je eigen leven kunt voeren. In zijn Zuid-Afrikaanse studieperiode overmande vervreemding hem en bracht het lezen van poëzie hem dichter bij een eigen identiteit. In die tijd ontstond de urgentie zelf te gaan dichten.

Al in zijn eerste bundel Zijn opkomst in de voorstad (2000) onderkent hij zijn machteloosheid de werkelijkheid te verwoorden. De vraag aan ‘de man van aanzien’ in een overvolle tram in het gedicht ‘Gezichtsbedrog’ maakt duidelijk, dat zijn indrukken van de stad waar zijn vriend woont, hem geen blijvende herkenning opleveren: ‘Zelf probeer ik altijd elk nieuw gezicht / dat ik ontmoet te onthouden’. Dat onthouden werkt vervreemdend en roept misverstanden op, zoals in het gedicht ‘Het jaar van het misverstand’ waarin de spreker met zijn woorden geen band weet te scheppen met zijn publiek, ondanks zijn zelfverzekerde houding. Ook beeldvorming in ‘Albert Einstein op het strand – Santa Barbara, Calif, 1930’ laat zien hoezeer Einstein zich laat leiden door wat anderen van hem moeten vinden. Hij wil vereeuwigd worden ‘als een dromer’.

Het motto ‘We could pretend that all that isn’t there never existed anyway’ (John Ashbery) gaat aan de bundel Dwaalgasten (2002) vooraf. Het gedicht ‘De jaarlijkse viering als fundament’ laat ons in vogelvlucht kijken naar mensen die zich opmaken voor het jaarlijkse kermisfeest. De feestdag ‘verschoot gewoon van kleur om zoveel valse waarheid.’ De ik vraagt zich af ‘of we alles [wel] onder controle hebben.’ Schaffer lijkt zich permanent in een ‘evenwijdig universum’ van de alledaagse werkelijkheid te bevinden. De ik houdt zich vast aan alles wat niet zichtbaar is, en er toch wel is!

Schaffer weet zich in zijn bundel Definities en hallucinaties (2003) omringd door wat tegengesteld aan elkaar is, als feit en fictie, begeerte en bezit. ‘Het lichaam blijft intact, verandert gedurig / van omvang, hetzelfde lichaam dat op een verlaten middag // voor een etalage stond. Verschrikte ogen in de spiegel. / Gedane zaken nemen geen keer’: deze simpele scène impliceert de complexiteit van de werkelijkheid wat Bergson ‘le perpétuel devenir’ noemt. Schaffer heeft een scherp oog voor alles wat er niet is maar toch zijn invloed op de ik doet gelden. Dat werkt hallucinerend in op zijn bewustzijn.

Het motto van de bundel Geen hand voor ogen (2004) luidt: ‘I do not know which of us has written this page.’ (Jorge Luis Borges). Opnieuw een citaat van een dichter die alles onder de twijfel stelt en de magie van het dichterschap onderschrijft. Het lijkt soms alsof ‘een onzichtbare hand’ die deze gedichten heeft geschreven. Ze zijn vloeiend, trefzeker en terloops van toon. Daarin zit grotendeels de charme en de kracht van deze poëzie. Een sterk voorbeeld van die intelligente achteloosheid lees ik in het gedicht ‘Ontmoeting in het trappenhuis’:

We zijn met frisse moed terug in de opgebroken stad waar hij en zij
zich thuis voelen. (…)

We kunnen de stemming nog verder verhogen en zo komen langzaam
de wijsheden op gang. Was het niet prachtig zoals zij daar stond
op haar balkon, zoals zij naar beneden rende om de post in ontvangst
te nemen. Zoals zij ligt nu op de sofa met losjes in haar hand een sigaret.

Hij knikte, zij keek terug. (…)

Er spreekt een hoge mate van ongerijmdheid uit het wereldbeeld dat hier voor ons opdoemt, omlijst door een onderdrukte nostalgie en lichtvoetige ironie. In dit gedicht is er naast de ongrijpbaarheid ook de herkenbaarheid van het alledaagse. Hoe subtiel weet Schaffer in deze balkonscène de dood te betrekken in deze erotiserende observatie van de vrouw? Zo vaak ziet een mens in deze gedichten met een hand voor ogen het leven aan zich voorbijtrekken, zonder richting noch duur te weten.

In de bundel Kooi (2008) opent Schaffer opnieuw met een motto van John Ashbery: ‘Why do I tell you these things? You are not even here.’ Een leidraad voor het lezen van deze bundel. Opnieuw drijven de versregels als losse ijsschotsen van elkaar weg. Daardoor zingen de zinnen zich los van hun samenhangende betekenissen. Op het niveau van de taal treedt dikwijls een gevoel van vervreemding op. Schaffers gedachtesprongen vragen om lenige lezers. Hij wil achterhalen wat ons beweegt, zoals in het gedicht ‘Je hebt me niet zien binnenkomen: ‘Geen namen alsjeblieft, ik doe me voor als ieder ander. Nee, / ik zoek een voorbeeld om je van wat dan ook te overtuigen. / Wat je van me denkt als ik niet kijk en vice versa. Nee. Dit is / de gelijkenis op loopafstand – iedereen weet dat een mens // bewegen moet, (…)’. Noem dit zoeken Schaffers middelpuntzoekende queeste naar harmonie. Daarnaast laat hij in deze bundel Kooi zijn betrokkenheid bij de maatschappij zien, maar dan wel op het niveau van de ik en de jij, zoals in ‘Hoog tijd voor catering’: ‘(…) Rotzooi wordt ondergronds verstopt, daar vind je wortels, / kabels, buizen. Bovengronds struikel je over fietswrakken, / tegels, wat met mos begroeid is of verroest.’ Nog altijd is Schaffer een buitenstaander, zoals in het gedicht ‘Zo wil je niet bekeken worden’: ‘We rotzooien maar wat aan, zo zonder voltage – er was slecht / weer op komst, de wegen raakten onbegaanbaar na de storm.’ De ik kan zich niet onttrekken aan de willekeur van het lot, de onbegrepen opeenvolging van geluk en ongeluk, en bovenal onvoorzien perspectief bepaald door de eigen manier van kijken naar de dingen. Er heerst een spanning van machteloosheid in deze verzen, maar langs de omwegen van de taal kringelt enige hoop naar boven.

In de laatste bundel tot nu toe Wie was ik? Strafregels (2020) probeert Schaffer te achterhalen wie hij was, en waarom hij zich opstelde in dit witte land zoals hij tot nu toe deed. In deze bundel zet hij zich voluit geëngageerd, op zoek naar gelijkwaardigheid. Persoonlijke mailberichten die hij van anonieme schrijvers opneemt, en allerlei berichten en ervaringen van schrijvers die hem hebben aangesproken, geven aan de bundel een sterk provisorisch karakter. In de hele bundel door staan er ‘Impromptu’s’, bewust geplaatste improvisaties tussen haken geplaatst. Ze lezen als commentaren op de wereld van hier en nu. Heel veelzeggend is zijn visie op racisme en discriminatie in het kleine gedicht ‘Tijd dag plaats -mensen wat een drama’. Hij laat met de metafoor van de bromvlieg heel treffend zien hoe de verhoudingen tussen wit, zwart, bruin en geel ervoor staan:

Ik weet wel wat de bromvlieg drijft
Die continu tegen mijn vensterraam blijft vliegen.

Zijn geblokte bewegingen.
Een kleine zwarte held die lak heeft aan censuur.

Het is zo lang geleden allemaal.

Ik hoop dat hij snel vrijkomt.

Schaffer is voortdurend bezig zijn geheugen op te frissen: hoe zat het ook al weer, toen ik mij bewust werd van mijn anders zijn in dit toen nog witte land, zoals in het gedicht ‘Wat kan ik mij herinneren’. Dat roept het gevoel op ‘niet meer [te] weten of ik iemand ben die leeft of overleeft’. Hij roept ons op in te zien dat we allen op zoek zijn naar erkenning en bestaansrecht. Het is voor hem een zoeken naar het niet meer vreemd willen zijn en gezien willen worden in je eigen leefwereld: ‘Is mijn huidskleur een zegen of een vloek / een vraag die ik onderhand kan dromen // maar wat is het antwoord.’ Hij blijft ‘verlangen naar een ruimte zonder afmetingen’. In dat teken staat dit dichterschap dat daar op meesterlijke wijze stem aan geeft.
____

Alfred Schaffer (2021). ,zo heb ik u lief. alle gedichten tot nu toe. De Bezige Bij, 736 blz. € 34,99. ISBN 9789403141213

Geplaatst in Recensies.