Bloemlezing – zo helpt poëzie

Een bundel vol troost

door Janine Jongsma




Om een bloemlezing aan te bevelen waarin een gedicht van jezelf is opgenomen, riekt sterk naar preken voor eigen parochie. Voor één keer maak ik een uitzondering omdat zo helpt poëzie bijzonder is. De uitgever heeft mij een paar maanden geleden toestemming gevraagd voor het plaatsen van een bepaald gedicht van mij in een bloemlezing omtrent zorg. Ik heb daar ja op gezegd, vond het een mooi initiatief en dat was het. Dit soort verzoeken zijn niet vreemd en ik werk er graag aan mee, maar deze bundel is voor mij wel een verrassing.

Het is een zeer mooie, verzorgde uitgave met harde kaft van de nieuwe uitgeverij De Meent. Op het voorplat een schitterende afbeelding van fotografe Maria Cecile Thijs. Het is haar antwoord op de Covid-19 pandemie. De twee bloemen staan symbool voor twee mensen die ondanks afstand houden altijd naar elkaar toegetrokken worden.

Deze bloemlezing is samengesteld door arts en schrijver Bert Keizer, hij neemt ook de inleiding voor zijn rekening. Het bevat de mooiste, meest intieme poëzie over menselijke zorgen waar we allemaal mee te maken krijgen van geboorte tot ouderdom, volgens Keizer, die een verzamelaar is van ‘zorgpoëzie’. Hij selecteerde gedichten die troost geven. ‘Zo helpt poëzie’ namelijk in zware tijden, het biedt troost. Aan zorgpersoneel, aan patiënten, aan geliefden, aan nabestaanden, aan iedere lezer eigenlijk. Keizer haalt een fijn gedicht aan van Herman De Coninck, waar deze bundel haar titel aan ontleend:

Poëzie

zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:

zo helpt poëzie

Onder de mensen die bedankt worden staat Eric van Loo, onze Meander collega die begin dit jaar overleed. Hij zal vanuit zijn kennis over ‘zorgpoezie’ – en zijn eigen ervaring met ziekte – poëzie hebben aangedragen, schat ik zo in, er is ook een gedicht van hem opgenomen. Over troost gesproken; de postume bundel Iets kleins volstaat van Eric is bij uitgeverij Anderszins verschenen, maar dit terzijde.

Voor poëzielezers zijn de gedichten een feest van herkenning want er komen nogal wat bekende dichters voorbij. Zoals bijvoorbeeld: Menno Wigman, Jean Pierre Rawie, Judith Herzberg, Annie M.G Schmidt, Leo Vroman, Eva Gerlach, Rutger Kopland, Gerrit Achterberg en Anna Enquist, om er een paar te noemen. Maar ook Ingmar Heytze, Vicky Francken, Lieke Marsman en Vrouwkje Tuinman lezen we. Eigenlijk teveel om op te noemen. Wat deze bundel bijzonder maakt, is dat de gemene deler van alle gedichten zorg is in de breedste zin van het woord, waardoor je plots gedichten kunt tegenkomen van bekende dichters die je nog helemaal niet kende. Dat noem ik dus een cadeautje.

Ik citeer allereerst uit de laatste afdeling ‘Rouw’ een gedicht van Marc Tritsmans en draag dit op aan alle mensen die een geliefde hebben verloren in de coronapandemie. Zie hier hoe troostvol poëzie kan zijn.

De paradox van verlies

Dat ze geen van allen ooit
nog zullen terugkeren hier
waar ze alleen maar even
passeerden en met ons
hebben gelachen en gepraat.

Maar niet duidelijk is wat
we precies zijn kwijtgeraakt.
Ik hoor immers nog altijd
haarscherp hun stem, voel
de huid van hun wangen als

ik hen zoen. Zo doodgewoon
leven ze dus elke dag hun
rustige leven verder in mij.
Alleen een nieuwe grap, ons
nog eens versteld doen staan

dat lukt hun niet langer. Maar
met welke vreemde kracht
slagen ze er telkens weer in
om me moed in te spreken –
hoe houden zij mij gaande?

De afdelingen in de bundel volgen de levensloop, met na de afdeling ‘dood’ een extra afdeling: ‘rouw’. Iedere afdeling heeft zijn eigen tekening, gemaakt door grafisch ontwerper Renate Arkesteijn. Zwierig in zwarte lijnen beelden ze mensen uit, passend bij de leeftijd van die specifieke afdeling.

Een bekend gedicht van Anna Enquist uit de afdeling ‘jeugd’:

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

‘s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Een tafereel vol herkenning over hoe we liegen om veiligheid te bieden en te vinden. Met de kernachtige omschrijving van een opgroeiende jongen: ‘Hij is zichzelf een motor’ .

De milde ironie van Rutger Kopland uit de afdeling ‘midlife’:

De dokter

De dokter keek op mij neer
ik zag zijn gezicht boven het mijne

ik zag wat hij dacht
dat ik dood kon gaan – zo keek hij
terwijl hij luisterde aan mijn borst

hij keek mij aan met een blik
– hoe kan ik dat zeggen – een blik
voorbij mijn gezicht, een blik naar iets
achter mij naar iets verwegs
alsof hij iets in de toekomst
probeerde te zien

hij keek mij aan en hij zei
hier mag u niet blijven
ze komen u halen

Schaterlachen om de herkenbare moeder van F. Starik uit de afdeling ‘oud zijn’:

Avond

We zitten in de tuin van het verzorgingshuis
vanwege de jaarlijkse barbecue met de bewoners
en hun mantelzorgers, maximaal twee: broer en ik
we proppen ons zwijgend vol met worstjes, spiesjes kip
gemarineerd varken, gekruid gehakt – vlees
dat zijn gewicht in goud waard is.

Moeder drinkt wijn.
Ze heeft geen honger.
‘Verschrikkelijk,’ zegt ze.

‘Wie zijn toch al die mensen? Wat een ramp is dit.
En dat vinden ze zelf ook, dat zie je aan hun gezichten.
Niemand wil hier zitten.’
‘Dan is het toch alleen maar extra lief dat ze gekomen zijn?’
zo werp ik grimmig tegen.

‘Ja, dit is wel erg gezellig,’ vindt moeder
zonder enige overgang
kijkt tevreden de tuin rond, vraagt dan
‘heb ik eigenlijk nog een hond?’

Daar weet ik geen antwoord op
terwijl ik schuldbewust
een spies met kip en al
naar binnen prop.

Nog meer troost nodig, iemand? De bundel telt 192 blz. Persoonlijk ben ik van mening dat alle mensen die werkzaam zijn in de zorgsector deze bundel met een grote strik erom van Sinterklaas in hun schoen moeten krijgen!
____

Bloemlezing (2021). zo helpt poëzie, 101 gedichten over de zorg. Samengesteld en ingeleid door Bert Keizer. Uitgeverij De Meent, 192 blz.
€ 19,99. ISBN 9789083112541

Geplaatst in Recensies.