“de lijfeigene van de taal”

Hedwig Selles (1968), cultuurwetenschapper, schrijfster en dichteres. Publiceerde onder meer gedichten en korte verhalen in De Gids, Tirade, De Brakke Hond en Hollands Maandblad. Bundels van haar hand zijn IJzerbijt (2008), Schadenfreude (2011) en Wie hier binnentreedt (2015). In 2021 verscheen de bibliofiele uitgave In het Krijt bij de aarde. Ook is een deel van deze cyclus in het Fries vertaald en gepubliceerd in De Moanne.
Selles’ debuutroman verschijnt binnen afzienbare tijd bij Uitgeverij Vrijdag.
Alja Spaan sprak met haar.

foto (c) H. Boeve

 

Op LinkedIn staat in je profiel een prachtige omschrijving, ‘Als schrijver ben ik in mijn verzen en korte verhalen de lijfeigene van de taal, wellicht ‘in een sleetse jas en op haveloze slippers’.’ Wat is dat: lijfeigene van de taal?
Dat ik met mijn hele lichaam het woord betast en beproef. Slaat het aan op mijn hart of mijn ziel of mijn hoofd of mijn buik, mocht het een plek hebben gevonden dan bepaalt dat de grondtoon van de omgeving die ik voor het woord zoek.

Uitgeverij Vrijdag gaf in 2015 je meest recente bundel uit. Waarom heeft het tot augustus 2021 geduurd alvorens er weer een publicatie kwam, de – in geringe oplage gedrukte – bundel In het Krijt bij de Aarde (Sub Signo Leonis, Gouda)?
Ik voelde de noodzaak niet tot het vullen van een nieuwe bundel. Gedichten schrijven is een eerste levensbehoefte en ik publiceer regelmatig in literaire bladen etc. Daarnaast schreef ik aan mijn debuutroman die bij Vrijdag uitgegeven wordt.

Is het drukken in de marge het alternatief, denk je, voor de dichter?
Nee, dit project in Gouda is niet drukken in de marge, het is DRUKKEN waarbij ieder woord handmatig gezet wordt. Het was voor mij een grote eer, dat dit mogelijk was in Drukkerswerkplaats Gouda.

In 2015 verscheen Wie hier binnentreedt. Paul Roelofsen zei in een recensie in Meander dat hij zich moest overgeven op het ‘euforische’ af aan jouw ‘sprankelende fantasie, prachtige beelden’. Is dat hetgeen je wilt: dat de lezer moeite moet doen ‘binnen te komen’ maar zich dan verliest in je ‘surreële wereld’?
Als iemand moeite doet, dan ben ik diegene heel dankbaar voor de bereidheid en de energie en weet ik dat de lezer het gedicht wil ontmoeten. Binnen wil treden en het effect van de woorden wil ondergaan. Hoe mooi is dat? Die particuliere ervaring die boven het gewone wordt geheven.

Later noemt hij je werk ‘indringend, niet vrolijk stemmend maar nergens larmoyant’. Kun je over alles schrijven?
Ja, op het moment dat het woord aan een rib van mij blijft hangen, ben ik verloren. Dan weet ik dat we onafgebroken samen zijn, van het moment dat ik wakker word tot het moment dat ik in slaap val. En alles wat ertussen zit, het wachten tot er een extra kassa opengaat bijvoorbeeld of een WC. Het woord kent geen schaamte en ik moet ook op de knieën en me overgeven aan de wil van het woord. Hoe verwarrend dat ook kan zijn.

 

Onaangekondigd

Nu de horizon haar verticaal
heeft opgebiecht, heb ik een nieuwe waarheid nodig om in te geloven
naast genadebrood en marteldromen

bedenk een onloochenbaar gemis
een aanhoudende blik die mij
weet los te weken van het spiegelgladde zwartgeblakerd weten

kan ik het nog kan ik het nog?
kan ik het nog draaiduizelig onthouden
wat ik eigenlijk niet kon weten
wat ik niet wist
in hete massa’s van herkenning een zwierig licht verzamelen voor de plek
waar ze het liefst op de wereld viel

ik wist het niet, ik wist niet wat me nog te wachten stond
de korte baantjes van de zon, het kruien van het ijs, het lengen van de dagen,
een licht dat onaangekondigd ruimte schept.

Bestaat er nog iets van toeval in je werk?
Ja, want het woord kiest mij uit en ik moet het ondergaan zoals ik eerder zei (vraag 1) en dan zoekt het woord een plek en ruimte en een omgeving. En dan ben ik al ‘hooked’ dan weet ik dat wij beide een intense tijd tegemoet gaan die me soms naar keel grijpt.

Piet Gerbrandy vraagt zich af, in een bespreking in Tzum van diezelfde bundel: ‘Is de dichter zelf haar grootste vijand?’
Eerlijk gezegd kent Piet me heel goed en hij heeft letterlijk gelijk. De manier waarop ik leef is intens en ik kan het niet doen door aan de oppervlakte te blijven drijven, ik moet kijken of ik de bodem kan raken. En die keer daarop weer en dan wellicht nog langer mijn adem inhouden tot je sterretjes ziet.

Hij zegt ook dat ‘poëzie er niet is om troost te bieden waar die niet beschikbaar is.’ Waar is volgens jou de poëzie dan wel voor?
Poëzie is niet ergens voor, het is geen pleister die je ergens op kunt plakken.
Het is moeten kiezen en in beweging blijven en in die beweging iets nalaten, dat enig moment gezien is.

 

Kolonisatie

Planten worden uit de grond geboren
mensen kruipen uit baarmoeders
daarna kunnen ze overal opgroeien
maar zonder wortels vallen bomen om
en mensen

op overdonderde landkaartjes
op basis van seismologische voorkennis
van krankzinnig slimme tsunami
geleerden die nog maar net
aan hun leven begonnen waren

geen enkele schep aarde behoorde hen toe
neem de oerschorpioen uit het Siluur

hij herinnerde zich zijn kolonisatie
leefde op de rand van het water
maakte af en toe een uitstapje
soms naar het water
en zo nu en dan naar het land.

Arjan Peters zegt in een bespreking, ‘Selles lezen helpt’. Dat is wellicht tegengesteld aan het bovenstaande. Helpt schrijven ook?
Als je hulp eruit moet zien als troost, dan loop je vast want in mijn leven bestaat er niet zoiets als hulppoëzie. Schrijven is niet vrijblijvend omdat je weet dat het je niet loslaat, en tegelijkertijd is het ultieme vrijheid. Het relativeert de drift van de wereld die haar eindeloze rondjes draait.

 

Adem in,
maak kort kennis met het moment waarvoor geen gebeurtenis is gevonden

Adem uit, het restant van een belofte waarvan je dacht dat het een toekomst had
het gaat zoveel sneller, als vandaag voorbij is

Als het kleumende ijs gesmolten is,
als er geen wolven meer over de bevroren poolzee dwalen

(als je de witte chrysanten in de blauw belichte gemberpot water hebt gegeven, ze leven nog
wang aan wang


in de aangescherpte zekerheid
ze geen betekenis hoeven te
verdragen).

Ben je bezig met je lezer terwijl je schrijft?
Nee. Pas als het gedicht een tijdje ‘af’ is en de tijd heeft gehad om te besterven, dan kan ik beter kijken naar de lezer en dan wil ik nog wel eens veranderen. Omdat ik dan immers meer lezer ben dan schrijver.

Is er een plan bij het schrijven?
Nee, want dan zou ik vast systematischer te werk gaan.
Ik mis Remco Ekkers, hij las alles mee. Ooit trad ik op met Rutger Kopland en die bezat de wellevendheid om zijn bewondering voor een gedicht van mij uit te spreken. Verward begon ik mezelf als het ware uit te vlakken en toen zei Kopland, ‘ik doe dit eigenlijk nooit maar ik wil je in contact brengen met Remco Ekkers.’ Aldus geschiedde, het is me nog altijd niet duidelijk waarom Kopland dit deed.
Remco leerde me als eerste: ‘als jij wilt dat je lezer je werk serieus neemt, moet je eerst jezelf serieus nemen.’ Nu ik hieraan terugdenk moet ik bijna huilen.
Sinds die tijd mailden we en we zagen elkaar heel heel heel soms en dat was voldoende.

Was Rutger Kopland een voorbeeld voor je?
Nee, ik heb geen voorbeelden. Wel dichters die ik bewonder zoals Hans Favery.

Van Remco leerde je een heel belangrijke les, “Als jij wilt dat mensen je werk serieus nemen, moet je eerst jezelf serieus nemen.” Hoe heb je dat in praktijk gebracht?
Milder te zijn voor mezelf misschien.

 

Ars

Er kwam geen dooi
Maar het begon ook niet te sneeuwen
Want waar moest het over gaan

Het vlokken
Het dwarrelen en waar wilde je dan terecht komen?
En in welke vorm wilde je plaatsnemen

In de ruimte die
Tot openheid werd gedwongen door een breekijzer en
Waar alleen planeten van kunnen getuigen

Hoe de kleur van stervenden aan te nemen
In de duisternis
Er kwam geen dooi

Het begon ook niet te sneeuwen
Het deed er niet meer toe
Het was mooi.

In het auteursprofiel van De Gids staat ‘de verbijsterende onvolledigheid van het bestaan vormt de aanleiding tot schrijven’. Dat lijkt me onveranderd en geldt zeker ook voor je meest recente uitgave. Wordt het bestaan ooit volledig?
Nee het bestaan is onvolledig en bij tijd en wijle genadeloos, daarnaast barst het van gulle verwondering.

‘In het Krijt’ is per slot van rekening de periode waarin er een relatief warm klimaat was en een hoge zeespiegel, de aarde was een broeikaswereld. Kunnen we ooit terug naar het paradijs?
Nee dat is denk ik niet mogelijk, het paradijs bestaat niet. Wat er wel is in mijn geval dan, is dat ik na een uitgesteld verlangen een diepe hunkering op enig moment in een beekje sta onder een hoge treinbrug. Dat het water over mijn voeten stroomt en dat ik het licht volg tussen de stenen en domweg gelukkig ben, daar dat ene moment. En dat ik me daar bewust van ben, dat dit niet normaal is, dat je benen het doen, dat je niet in een oorlogsgebied schietschijf bent of in een besmet gebied door ziekte bezocht.

Je werk is ook vertaald en wel in het Fries. Hoe kwam dat tot stand?
Jetske Bilker heb ik ontmoet bij een nieuwjaarsbijeenkomst van de bond voor auteurs. We reisden samen terug naar het noorden en raakten niet uitgepraat. Jetske kan heel goed schrijven en vertalen en ik was de geluksvogel toen ze instemde met een plannetje tot vertalen.
Jetske kent me en voelt me aan, ze proefde aan de tekst. En er waren momenten dat ze het terug gaf aan mij en me dwong tot inzicht en betekenis. Het was voor haar niet makkelijk, ze schreef in de inleiding op mijn werk het volgende:
Haar gedichten laten zich meestal niet makkelijk begrijpen. Het verband tussen de woorden en de objecten in de werkelijkheid (zoals wij die kennen) is niet altijd een één op één relatie (Nu de horizon haar verticaal heeft opgebiecht) en schopt je veilige aannames aan de kant. Ontregelende poëzie om het mooi te zeggen. Deze ontregelingen nemen mij mee naar een andere werkelijkheid met andere regels dan die van ons. Juist daarom wilde ik deze cyclus vertalen in het Fries, zodat ik de vinger kon leggen op wat er gebeurt in deze poëzie. Bij vertalen zit je de dichter op de huid. Je ziet het ambacht: hoe de zinnen precies lopen en hoe de metaforen en verwijzingen binnen in de verzen werken. Hoe meer ik ontdekte, hoe meer ik zag en voelde hoe die grootsheid van de ontzagwekkende aarde boven de gedichten hangt.
Ze deelde het geld dat ze kreeg voor de vertaling met mij en daar heb ik een rok van gekocht. De Jetske Rok.

Kun je iets vertellen over de roman die voor dit najaar gepland staat?
Moed is een twijfelgeval komt uit bij Uitgeverij Vrijdag in Antwerpen. Het is een wrang en tegelijkertijd hoopvol verhaal over moed, onmacht en creativiteit.

Hoe sijpelt je poëtische schrijfstijl door in je (epische) proza?
In het leesverslag van de redacteur van uitgeverij Vrijdag stond:
De poëtische schrijfstijl is gewoonweg prachtig. De gebruikte metaforen zijn wondermooi en haar schrijfstijl blaast me eerlijk gezegd omver. Bepaalde dingen komen echt helemaal bij me binnen omdat ze zo goed omschreven zijn dat ik ze voel. We kruipen echt in het hoofd van het hoofdpersonage en ontdekken wat ze meemaakt door mee te deinen op haar gevoelens in plaats van dat alles gewoon verteld wordt.

 

 

Geplaatst in Interviews.